| Name | Last Modified | Size | Description |
| Parent Directory | - | - | - |
| Get Adobe Acrobat Reader | - | - | You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download. |
| 2000 Culturele planologie en Rotterdam.pdf | 03.02.2004 | 97kB | - |
DE TOEKOMST
VAN ROTTERDAM:
OVER CULTURELE PLANOLOGIE
BEWERKING VAN EEN GESPREK TUSSEN INEKE SCHWARTZ (GESPREKSLEIDER), ANNA TILROE (KUNSTHISTORICA/JOURNALIST NRC), FRED DE VRIES (JOURNALIST DE VOLKSKRANT) EN SIEBE THISSEN (CULTUURFILOSOOF/KUNST & OPENBARE RUIMTE, CBK)
DE UNIE, ROTTERDAM 16 JANUARI 2000
Siebe Thissen: Ik krijg altijd kippenvel van toekomstvoorspellingen. Hoe ziet
Rotterdam eruit in 2020 of in 2025? Het heeft ook een beetje te maken met
de ervaring dat voorspellingen van futuristen nooit uitkomen. We hebben op
dat gebied in de vorige twee eeuwen een hele slechte reputatie opgebouwd.
Er is aan het begin van deze eeuw en voor de oorlog heel veel voorzien wat
nooit is uitgevoerd en er zijn allerlei dingen ontstaan die we nooit voorzien
hadden. Zoals de computer bijvoorbeeld. Ik denk wel dat het heel belangrijk
is dat je heel goed leert kijken naar wat er werkelijk in een stad gebeurt.
Kunst is dit, cultuur is dat – ik ben slecht in dat soort definities.
Onder al die definities gaan vaak mechanismen en processen schuil waar je
soms iets mee kan en soms niet. De zaken worden vaak heel erg opgesplitst:
fantasy city, center city, edge city, creative city, van dat soort concepten.
Maar als je er even over nadenkt, zie je eigenlijk alles in Rotterdam. Tegelijkertijd.
Dat geldt ook voor kunst en cultuur, zowel in de breedte als in de smalte.
Je kunt bijvoorbeeld een beleid hebben of subsidies verlenen onder het vaandel
van een bepaalde smalle cultuurvisie. Je geeft bijvoorbeeld alleen geld aan
de beeldende kunsten. Maar dat kan niet verhinderen dat in die beeldende
kunst de instellingen zelf weer netwerkinitiatieven ontplooien, die verbonden
raken met weer andere netwerken. Je kunt een smalle cultuurvisie heel goed
met een brede combineren.
Ineke Schwartz: Je bedoelt dat het heel moeilijk is om op zo’n assenstelsel
aan te geven waar we nu staan?
Siebe Thissen: Ja, dat is toch wel heel lastig en zeker ook als je denkt aan
Rotterdam in de jaren tachtig. Waar was Rotterdam leuk? Dat was vooral het
Oude Noorden. De edge city bestond al heel lang. Voor goede punk, reggae en
hiphop trokken heel veel mensen daar naar toe. Daar was veel te doen. Als je
een Surinamer bent uit Haarlem, dan kom je naar het Doelenplein. Er zijn veel
locaties en plekken in de stad die een eigen essentie hebben. Die edge city
bestaat al in potentie. Hetzelfde geldt voor de center city. Denk aan het aanleggen
van die Kop van Zuid in het verlengde van de Coolsingel. Daar zie je ook stadsontwikkeling,
maar dat wil helemaal niet zeggen dat je daarmee meteen een echt centrum creëert.
Elders kan ook een centrum ontstaan. In Crooswijk zouden mensen in achterkamertjes
een goed virtueel netwerk kunnen hebben opgebouwd, en dat zou in theorie een
belangrijk economisch knooppunt kunnen vormen.
Ineke Schwartz: Je hebt gelijk, maar tegelijkertijd zijn er natuurlijk bepaalde
ontwikkelingen die ertoe leiden dat kunstinstellingen en beleidsambtenaren
zich afvragen hoe het nu verder moet met het beleid. Het is helemaal niet vanzelfsprekend
om door te zetten wat al is ingezet. Liesbeth Levi heeft het in de maandfolder
van De Unie erg mooi verwoord. Drie belangrijke punten: ten eerste, de spanning
tussen commerciële exploitatie en sociaal-culturele doelstellingen, de
versmelting tussen high en low culture. Tegenwoordig kun je in commerciële
uitingen ook allerlei culturele inhouden vinden, veel meer dan pakweg vijftien
jaar geleden. Punt twee: we zijn culturele omnivoren geworden. We gaan naar
de schouwburg en we lezen Story. Punt drie: er is nog altijd sprake van een
wit bolwerk in het huidige kunst en cultuurlandschap. Beleidsmakers moeten
daar iets mee doen, lijkt mij, maar wat dan? Er moeten keuzes worden gemaakt.
Siebe Thissen: Er bestaat van alles naast elkaar. Er wordt vaak heel populair
gepraat over populaire cultuur. ‘O, alles kan en alles bestaat naast
elkaar. Leuk dat het er is’. Maar ook op dit punt bestaan weer hele smalle
cultuurvisies. Hetzelfde geldt voor de uitholling van de kwaliteitsbegrippen
waar iedereen zo bang voor is. Neem de videocultuur of graffiti of hiphop.
Mensen weten precies wat goed en wat slecht is. En hoe je je hoort te gedragen.
Zelfs de populaire cultuur heeft op alle fronten de trekken die de zogenaamde
elitaire cultuur ook heeft. Ik zie de verschillen niet zo. Er is sprake van
kruisbestuiving. We kunnen wel zeggen dat we al die culturen willen toejuichen.
Je hoort vaak mensen zeggen: ‘O, leuk daar wordt gebreakdanced, er is
hiphop, wat leuk dat dat allemaal door elkaar bestaat’. Maar in de praktijk
zie je dat bij een breakdancer de DJ onmiddellijk ophoudt. De break dancer
moet eigenlijk ophouden, omdat hij de aandacht steelt van de turntablist en
de gevoeligheid van de platenspeler bedreigt. Je ziet meteen spanningen. Mensen
gaan bijna op de vuist. Ook in Rotterdam. Laatst maakte ik in Rotown mee dat
de turntable-set gestopt werd en dat de breakdancers naar buiten moesten. Dat
herinnert al aan de manier waarop wij over de elitaire cultuur praten of over
de officiële kunst en cultuur. Ik zou een zekere voorzichtigheid in acht
willen nemen. Die verschillen zijn niet zo absurd groot als wij soms denken.
Ineke Schwartz: Fred? Wat viel je op? Waarbij frons jij je wenkbrauwen? Waarvan
word je blij?
Fred de Vries: Ik wil drie dingen opmerken. Ik ben meer een vragensteller dan
iemand met een hele sterke opinie, maar in het verhaal viel mij op dat er van
uit wordt gegaan dat er een hele grote behoefte is aan al die cultuur. Ik vraag
me af of dat zo is. Er is al zo veel in Rotterdam en daar wordt volgens mij
niet voor honderd procent gebruik van gemaakt. Dus moet dat allemaal nog uitdijen?
Moeten we naar zo’n edge city toe? Moet het een creative stad worden?
Ten tweede denk ik dat Rotterdam, vermoedelijk in tegenstelling tot Amsterdam,
wel gebaat is bij een versterking van de binnenstad, omdat die hier nog niet
zo goed ontwikkeld is. Ben je van het station hierheen gelopen? Ik fietste
vanuit het noorden naar hier en het is nog steeds alsof er een bom is afgegaan.
Het is nog nauwelijks veranderd. Het is verbeterd, maar het is nog steeds niet
vergelijkbaar met Amsterdam.
Ten derde vroeg ik mij af of de overheid wel zo veel aan cultuurbeleid moet
doen. Als je naar de geschiedenis kijkt – en ik ben gespecialiseerd in
jongerencultuur - dan zie je de interessantste ontwikkelingen van de afgelopen
tien jaar in steden waar het juist heel slecht mee ging en waar de overheid
zich weinig bemoeide met de cultuur: New York begin jaren tachtig, Berlijn
in ongeveer die zelfde tijd. En dan Detroit, waar de overheid echt helemaal
niets doet. En in zekere zin Manchester. In steden waar het heel goed mee gaat,
Londen, Parijs, zijn minder interessant in dit opzicht. Volgens mij moet je
juist de marge meer ruimte geven en dan komen de interessante mensen vanzelf
wel naar voren. Maar misschien is dat te bruusk.
Ineke Schwartz: Ik vind het wel een interessant uitgangspunt. Ik moest onmiddellijk
denken aan een boek dat ik gisteren las. Christian La Croix, de beroemde modeontwerper,
zei: ‘Het is een beetje lullig om toe te geven als je je met een miljoenenindustrie
bezighoudt, maar de mensen die het meest interessant gekleed zijn, zijn altijd
de mensen met het minste geld’. Dat sluit aan bij wat Fred net zei. De
marge meer ruimte geven? Heb je daar praktische ideeën over? Moet de overheid
dat doen, of moet die zich er juist helemaal niet mee bemoeien? Zou je je kunnen
voorstellen dat men gebouwen beschikbaar stelt of zorgt voor een lage huur?
Fred de Vries: Ik vind dat er eerst een duidelijke behoefte moet zijn. De overheid
moet niet zeggen, we hebben hier een mooi gebouw, jongens, kom alsjeblieft
breakdansen. Zo werkt het niet. Volgens mij moet het omgekeerd gaan. Zoals
met de hiphop. Wat je zag was dat jongens plaatjes importeerden uit New York,
die ze dan in een achterkamertje draaien. Er komen vriendjes bij en zij gaan
op straat breakdancen, want er is verder geen ruimte. Op een gegeven moment
ontwikkelt zich dat. Dan gaan ze een plaatje maken. Iemand in een discotheek,
vaak nog een voormalige gogodanserestent, denkt: ‘Goh, daar zit misschien
wel wat geld in’ en nodigt hen uit. Ze gaan platen draaien en er komt
publiek. Zo ontwikkelt zich dat. Volgens mij is dat een veel natuurlijker ontwikkeling
dan wanneer je dirigeert van bovenaf. Hetzelfde geldt voor Detroit, waar helemaal
niets was behalve lege karkassen van fabrieken. Mensen met een beetje fantasie
maakten daar gebruik van. Ze gaven een leuk feest en huurden een DJ en zo ontwikkelde
zich iets. Volgens mij is dat belangrijker dan dirigeren van bovenaf.
Ineke Schwartz: Fred draagt wel een aantal interessante punten aan. Dat idee
dat Rotterdam juist het centrum zou moeten versterken, is niet bepaald een
hip uitgangspunt. Ik geef een tegenvoorbeeld. Als je kijkt naar de openbare
bibliotheek in Rotterdam, dan is daar wel degelijk sprake van beleid - het
bibliotheekfeest, de kinderdag afgelopen najaar en allerlei andere activiteiten.
Die zorgen ervoor dat heel veel mensen naar de bibliotheek komen en er ook
gebruik van maken. Er is wel degelijk iets wat je kunt doen om het een en ander
te stimuleren. Het feit dat de bibliotheek boeken heeft in vele talen trekt
buitengewoon veel verschillende mensen naar die bibliotheek toe. Het creëren
van zo’n infrastructuur zonder allerlei ingewikkelde borden of mensen,
dat is toch echt beleid. De gemeente geeft daar geld aan uit. De consequentie
van wat jij zegt, ‘laat het allemaal maar lekker gebeuren, het gebeurt
toch wel’…
Fred de Vries: Zo extreem bedoel ik het niet. Een bibliotheek is een belangrijk
instituut en daar moet geld in gestoken worden.
Ineke Schwartz: Maar je kunt van die bibliotheek natuurlijk een heel duf bolwerk
maken, waar driekwart van Rotterdam zich niet thuis voelt, maar je kunt ook
een plek maken waar heel veel Rotterdammers zich wél thuis voelen.
Fred de Vries: Ik vraag me af of dat er allemaal bij moet, dat theater en zo.
Anna Tilroe: Wat jij schetst, hoort helemaal bij de beleveniseconomie. Alles
moet nu een belevenis worden. En daar hoort de bibliotheek bij, en het museum.
Zelfs als je een bed gaat kopen moet het een belevenis worden. Die ontwikkeling
is niet te stoppen. Ik denk dat die voortkomt uit de welvaart, die het mogelijk
maakt om ook daar een belevenis van te maken. Ik kom zelf net terug uit Cuba,
van een reportage. Daar heb je absoluut geen beleveniseconomie, dat garandeer
ik u.
Siebe Thissen: Hoezo? Het hele land is gebouwd op een superbelevenis, die met
Che Guevara en Fidel...
Anna Tilroe: Er is geen ontkomen aan voor instellingen als bibliotheken of
musea om met deze ontwikkeling mee te gaan. Er zijn voordelen en nadelen. Er
worden in ieder geval zeer verschillende publieken aangeboord en in die zin
valt het toe te juichen. Wat de consequenties zijn voor de meer gespecialiseerde
cultuur - om niet het woord elitecultuur te gebruiken, want daar rust een doem
op - weet ik niet. Daar houd ik soms mijn hart voor vast.
Ineke Schwartz: Je bedoelt dat die ten onder gaat?
Anna Tilroe: Kijk, het feit dat alles een belevenis moet worden heeft ook economische
consequenties. Er worden enorme investeringen gedaan. Er wordt beleid op afgestemd.
Dat wat daar niet inpast, valt erbuiten, krijgt geen gelden en wordt niet voor
vol aangezien. Dat is een ontwikkeling waar ik niet gerust op ben.
Siebe Thissen: Daar moet ik me bij aansluiten. Het irriteert mij ook mateloos,
dat overal alles maar wordt aangeboden. Hier kun je bijvoorbeeld een ijsje
kopen, daarachter zitten ze zich af te trekken in hokjes en ergens anders gebeurt
dit. Leve de lol. Ik wordt daar echt helemaal niet goed van. Ik vind dat het
je culturele instelling heel erg versmalt en verzwakt.
Ineke Schwartz: Je bedoelt die beleveniseconomie?
Siebe Thissen: Een bibliotheek mag best hoogdrempelig zijn. Daar wil ik gewoon
in oude boeken bladeren. Ik hou daarvan. Je hoeft daar geen hiphopper achter
je te hebben staan. Waardevolle cultuur is altijd een beetje hoogdrempelig
en specialistisch. Als technofreaks met elkaar beginnen over de techno in Detroit,
gaat het altijd over hoogdrempeligheid. Ik vind het ook goed dat dat soort
dingen gebeuren. Daar kun je tegen opkijken. Daar kun je wat van leren. Daarin
kun je vakmanschap herkennen. Het Turntable Festival ‘National Phonographic’ hier
in Rotterdam was ook een prachtig voorbeeld. Jonge Rotterdammers konden massaal
kijken naar hoe goed die mensen met die platenspelers konden omgaan. Het principe
lijkt op dat van zo’n skatepark in de stad - nog zo’n mooi medium
voor vakmanschap. Het is een heel plat voorbeeldje. Ik vind dat geen entertainmentindustrie.
Je kunt ook kijken naar mensen die iets heel goed kunnen. Ik vind de verspreiding
van vaardigheden heel belangrijk. ‘Je bent een rund als je niks kunt’ zou
het motto moeten zijn. Heel veel werk dat wij doen, dat jonge mensen vandaag
de dag in onze stad doen, is sprankelend en heroïsch. Het is heel mooi
dat we nog steeds de mogelijkheden hebben om ons te onderscheiden van een ander,
om iets goed te kunnen en daar tegen op te kijken. In die zin vind ik dat je
dingen vrijer moet laten. Dingen moeten een kans krijgen om te ontstaan. Dat
heeft natuurlijk veel consequenties, voor de openbare orde bijvoorbeeld. Dat
is een issue dat we allemaal voorzichtig omzeilen hier aan tafel.
Ineke Schwartz: Want? Ga daar eens op in!
Siebe Thissen: Nou, sommige dingen maken herrie. Voor andere dingen die leuk
zijn moet iets kapot. Voor weer iets anders moet je een muur gebruiken om er
op te schilderen. Dat zijn de spanningsvelden waar we voortdurend mee te maken
hebben. Aan de ene kant juichen we dingen toe, aan de andere kant weten we
ook dat van alles moeten organiseren en controleren, omdat er zo snel overlast
wordt veroorzaakt. Het overlastvraagstuk is in de hele cultuurindustrie een
van de belangrijkste kwesties. Vaak al voordat je begint te praten over kunst
en cultuur is de overlastkwestie aan de orde gebracht.
Ineke Schwartz: Je zegt het mooi, maar heb je suggesties voor de aanpak? ‘Vrijer
laten’, zeg je, maar daar zitten problemen aan vast.
Siebe Thissen: Nou, vrijer laten… Ik denk wel dat mensen die met cultuur
begaan zijn er een voorkeur voor moeten hebben om hun eigen stad te willen
uitstulpen. In de muziek noemen we dat dub. Je veruitwendigt wat er al is.
Daar heb je in ieder geval mensen voor nodig die niet denken dat Rotterdam
een arme stad is, en dat je cultuur moet importeren, bijvoorbeeld uit Amsterdam.
En ik denk dat je ook op zoek moet durven en kunnen gaan naar wat er zo opmerkelijk
is in onze eigen stad.
Ineke Schwartz: Je moet dus kijken naar wat er op kunstgebied allemaal gebeurt.
Siebe Thissen: Ja, dat is eigenlijk ook wat Fred gezegd heeft en wat hij in
zijn journalistieke reportages doet. Je komt tenminste een keer iets tegen
waarvan je niet wist dat het bij jou om de hoek gebeurde. We moeten onze stad
leren lezen. Iedereen maakt de straten leesbaar. De hele openbare ruimte wordt
een grote kaartenbak of een billboard. Het zijn niet alleen de bedrijven die
hun logo en hun identiteiten achterlaten, het zijn ook de kinderen, de mensen,
de auto’s. Overal presenteren we ons, maar niemand wil ons lezen. Daar
lijkt het een beetje op.
Ineke Schwartz: Dat begrijp ik niet helemaal. Wat bedoel je daarmee?
Siebe Thissen: Er staan dingen op T-shirts, op vlaggen, op stickers, graffiti,
flyers, op muren. Er wordt heel veel kennis over onze cultuur openbaar gemaakt
in onze stad.
Ineke Schwartz: Maar wat kun je dan doen om dat allemaal wél te lezen?
Siebe Thissen: De dingen gebeuren. Ik ben daar niet zo bang voor. Ik denk niet
dat je kunt begeleiden of stimuleren. Je kunt wel ontmoedigen, en wel door
een heel fanatiek cultuurbeleid te voeren. Een pand dat vrijkomt gaat eerst
naar het OBR, en dan wordt er bekeken aan wie het gebouw wordt toegekend. Men
volgt bijvoorbeeld de stelregel dat in die regio niet te veel Turkse mensen
samen moeten komen, want Rotterdam moet zo’n leuke multiculti-stad zijn.
Waarom gaan wij naar New York, waarom gaan wij naar Londen? Daar zoek je ook
buurten of plekken waar je wat denkt te zullen zien of beleven.
Ineke Schwartz: Fred, wat is jouw mening over de beleveniseconomie en de eventuele
aanpassing daaraan?
Fred de Vries: Er is zo veel en je wordt bijna doodgegooid met posters en slogans.
Overal waar je bent komt de cultuur of de subcultuur of de populaire cultuur
je tegemoet. Je ziet door de bomen het bos helemaal niet meer. Je hebt geen
tijd om even stil te staan bij een mooi beeld. Het idee van die beeldenparade
was wel aardig idee, maar het is in no time ondergesneeuwd door allerlei andere
dingen die in die buurt staan. Ik wil nog iets zeggen over die binnenstad trouwens.
Ik kom net uit Porto terug en daar is de situatie in de binnenstad omgekeerd
aan de onze. De binnenstad van Porto is heel oud. Daar hebben ze het probleem
dat iedereen uit de binnenstad is weggetrokken naar de shopping malls in de
buurt. Van de twaalf bioscopen zijn er nog twee over, waarvan er een pornofilms
draait. Van de tien theaters is er nog één over. Iedereen gaat
naar die shopping malls, omdat je daar al die cultuur bij elkaar hebt en je
kunt je auto makkelijk kwijt. Daar heb je die beleveniscultuur weer. Alles
in één: je kunt winkelen, eten, naar de film. Je moet dat ten
allen tijde proberen te voorkomen. Met de zuid-as in Amsterdam en de situatie
rond de Arena neigt het ook een beetje die kant op. Die binnenstad wordt tot
een verzamelplaats voor goedkope knakenwinkels en cafés en horeca van
het soort dat je eigenlijk niet wilt in je binnenstad.
Ineke Schwartz: Je zegt dus: ‘Pas op, vergeet die binnenstad vooral niet’.
Fred de Vries: Ik vind dat je die binnenstad juist heel erg moet ontwikkelen.
Ineke Schwartz: Misschien zijn er wel dingen waar wij heel erg aan voorbij
gaan of buitgewoon belangrijke punten die uit het oog verloren worden. Heeft
de zaal dingen in te brengen die onmisbaar zijn voor de discussie van vanavond?
Publiek: Mevrouw Tilroe had gelijk, toen ze sprak over het verschil tussen
kunst en cultuur. Ik zie kunst en cultuur als vormen van expressie en transformatie.
Ineke Schwartz: Als u zegt dat cultuur iets in beweging is, dan kan ik mij
eigenlijk niet voorstellen dat iemand van ons dat zou willen ontkennen.
Anna Tilroe: Integendeel. Beweging is inherent aan cultuur. Een cultuur die
niet beweegt, is morsdood. En de kunst beweegt nog sneller.
Ineke Schwartz: Maar misschien moeten we dan vragen of het cultuurbeleid mee
zou moeten bewegen?
Siebe Thissen: Ik ben het daar mee eens. We moeten heel erg oppassen. Vandaag
de dag is alles cultuur aan het worden. Soms is dat gevaarlijk of griezelig.
Zelfs hele tragische en alledaagse dingen als het bestaan van junken en lage
huren worden culturele kwesties. We kennen hier in Rotterdam een citysafari.
Eerst rij je door de junkenbuurt, door kunstenaars leuk uitgelicht met spotjes.
We lachen nu wel, maar ik vind dit eigenlijk een hele schrijnende zaak. Cultuur
heeft te maken met een bepaalde esthetische blik, een manier van kijken. Maar
die blik kan dominant worden en griezelig sterk. Heel veel mensen nemen geen
deel aan die cultuur waar wij het over hebben. Zij zijn object geworden van
onze cultuur. We zijn uitgekeken op het museum, dus stappen we nu in de citysafari
en we gaan hiphopjongeren bekijken, die breakdansend en op skates rijdend door
het museum bewegen. Ik kan het nog niet zo scherp zeggen, maar…
Ineke Schwartz: Volgens mij heb je het buitengewoon scherp gezegd. Er zijn
mensen die object zijn geworden van de cultuur. Dat is een mooie observatie.
Publiek: Maar jij was er juist voor om alles een beetje vrij te laten.
Siebe Thissen: Nou ja, alles een beetje vrij… Ik had het toen over ontwikkelingen
binnen de subculturen.
Ineke Schwartz: Maar hij heeft wel een punt. Als je de ontwikkelingen vrijlaat,
dan krijg je ook dit. Niemand heeft gezegd, dat dit er moest komen. Iemand
kwam met een initiatief .
Siebe Thissen: Ik zou ook de laatste zijn die bij de citysafaribus de band
lek gaat steken.
Fred de Vries: Hij zei dat alles tegenwoordig cultuur is. Een rare zaak, toch?
Anna Tilroe: Je ziet dat cultuur enorm vereconomiseert. Dat die citysafari
een culturele belevenis kan worden, is een gevolg van het feit dat mensen er
geld in zien. Je stelt een programma op, je huurt een bus en laadt die vol
met mensen. Die moeten een bepaald bedrag betalen. In Hollywood rijden ze langs
de huizen van filmsterren.
Publiek: Is daar iets op tegen?
Siebe Thissen: Ik wil die discussie ook niet hebben, want andersom werkt het
ook. Vroeger had je actiegroepen en allerlei autonomen die radicale leuzen
verzonnen. Tegenwoordig zijn het de reclamebureaus die met de meest radicale
leuzen de straat op gaan.
Publiek: We hebben het hier, als ik me niet vergis, over het gemeentelijk beleid
in de toekomst. Dat is uitermate interessant, maar ik zie de gemeente geen
cultuursafari’s organiseren. De vraag is wat je mogelijk moet maken en
wat niet. Wat moet de overheid niet verhinderen waar het gaat om aspecten als
beweging, vernieuwing en confrontatie? Amsterdam is een paar keer genoemd.
Ik herinner aan het opdrijven van de grondprijzen, waardoor jonge kunstenaars
nergens meer terecht kunnen, niet meer bij elkaar kunnen zitten en de confrontatie
niet meer aan kunnen gaan. Voor Rotterdam is de vraag interessant hoe je de
beweging, de vernieuwing in de breedte – ik heb het niet alleen over
beeldende kunst, maar over zo veel uitingsvormen – kunt vasthouden en
stimuleren. Met alle respect, maar met die citysafari kan ik niet zoveel, want
die zal de gemeente heus niet in het programma opnemen.
Ineke Schwartz: Een goed punt. Ik denk dat we hier ook niet hoeven te zeggen
dat het allemaal zo vreselijk en zo slecht is. Het gebeurt, en je moet je afvragen
wat je ermee doet. Maar een ander punt is nog niet aan de orde geweest. Het
feit dat tegenwoordig alles tot cultuur wordt gemaakt, heeft ook een andere
kant. Je zou je natuurlijk ook kunnen voorstellen dat er veel meer samenwerking
ontstaat tussen gemeentelijke departementen, en dat de sector kunst en cultuur
serieuzer wordt genomen. Een voorbeeld. Ik sprak een kunstenaar die een interessant
plan had gemaakt over de infrastructuur. Hij was geen kunstenaar, maar een
vormgever. Hij bekeek de zaak in de context. Hij dacht niet aan bussen en trams
en het vervoer over het water, maar hij dacht vanuit het totaal. Dat zou tot
buitengewoon interessante scenario’s kunnen leiden. Zien jullie, Fred
en Anna, ook positieve kanten in het feit dat bijna alles nu als cultuur wordt
bekeken?
Anna Tilroe: Ik ben blij dat je dat voorbeeld noemt van een kunstenaar die
een scenario maakt. Er is veel potentie die niet gebruikt wordt. Met alle respect,
Hans Mommaas’ verhaal bevatte de bekende brede visies en daar kun je
dan uit kiezen en dingen aan elkaar plakken of niet. Maar wanneer je een kunstenaar
vraagt om iets te ontwerpen krijg je iets totaal anders. Want het is zijn missie
om iets te bedenken wat wij nooit hebben bedacht. En beleidsambtenaren kunnen
zoiets ook niet bedenken, omdat zij daar niet mee bezig zijn. Bij het hele
gesprek over kunst en cultuur in de stad moeten ook dit soort ontwerpers en
vergelijkbare mensen worden betrokken. Ze komen met hele andere en misschien
wel met onmogelijke ideeën, maar ze zijn in staat om utopieën en
visioenen te ontwikkelen. Daar moeten ze altijd weer 90 procent van terugnemen,
maar dat doet er niet toe. We krijgen even iets anders te zien en we kunnen
opnieuw gaan denken.
Publiek: Dat veronderstelt enige durf bij de beleidsmakers.
Anna Tilroe: Absoluut. En niet alleen durf, maar ook visie. Je moet voorbij
de onmogelijkheden kunnen denken.
Publiek: Vaak lijkt het, of het beleid zo ver doorontwikkeld is dat al van
te voren de uitkomsten vaststaan. Dan is er niet meer zoveel plek voor een
visioen.
Publiek: Wat uit uw verhaal ook naar voren komt, is dat je uitdaagt tot creativiteit.
Soms wordt er zoveel beleid gemaakt en wordt er zoveel over nagedacht dat de
noodzaak voor creativiteit eigenlijk ontbreekt.
Anna Tilroe: Rotterdam doet wel goede dingen op dat gebied. Dat zeg ik graag.
Er worden wel degelijk samenwerkingsverbanden met kunstenaars gezocht. Ik ben
even de naam kwijt van de plek waar Q.S. Serafijn gewerkt heeft, een dode plek,
ergens.
Siebe Thissen: ‘Het Muizengaatje’.
Anna Tilroe: Het is heel goed dat de gemeente op zo’n manier openstaat.
Niet meteen zeggen dat het praktisch niet uitvoerbaar is, maar eerst de fantasie
gebruiken en dan bekijken wat er mogelijk is. Als die houding deel van het
beleid zou kunnen worden, zou dat geweldig zijn. Ik denk dat de stad daar enorm
profijt van zou hebben.
Siebe Thissen: Nou, deel van het beleid….. Kijk, het bestaat al. We praten
over twee verschillende aspecten. Aan de ene kant is er het cultuurbeleid,
en ben je geneigd om te denken aan instellingen, kunstzaken en het gemeentehuis.
Maar je ziet allang dat er op allerlei niveaus allianties en netwerken ontstaan
en actief zijn. Ze komen tot tot heel veel verschillende soorten cultuuruitingen
en participaties en remixen van die disciplines.
Ineke Schwartz: Ik denk dat het inderdaad naïef is trends te willen sturen.
Maar je kunt wel dealen met die trend. Dat lijkt me een vraag voor de beleidsmakers.
Wat doe je met de trend? Kun je er wat tegen doen? Er zijn al diverse kanttekeningen
gemaakt bij die beleveniseconomie. Er is gezegd dat de beleveniseconomie niet
per definitie verkeerd is, dat er ook hele goede dingen mee te doen zijn. Er
zijn nuances. We moeten gewoon goed opletten. Er is ook gezegd dat je niet
alles moet willen sturen. Misschien moet er – ik durf het bijna niet
te zeggen – geholpen en gefaciliteerd worden, maar zo dat er niets kapot
wordt gemaakt, want gebeurt vaak bij zogenaamde culturele broedplaatsen. Wanneer
de plek interessant wordt, gaat de grondprijs omhoog, er komen yuppenappartementen
in de buurt en de mensen van die broedplaatsen moeten naar een andere plek
verhuizen.
Publiek: Ik wil reageren, maar zonder meteen in een diep wetenschappelijk debat
te belanden. Er is een aantal dominante trends en de vraag is hoe je die richting
geeft in jouw eigen stad. Het gaat om keuzes. Er is heel veel paradoxaals in
het cultuurbeleid. Dat broedplaatsenbeleid benauwt al weer een beetje. Het
is een besmette term, want Amsterdam heeft het belachelijk gemaakt. Kijk je
naar de plekken waar stedelijke culturele innovatie plaatsvindt, dan zie je
een permanente race. Enerzijds zijn er de mensen die nieuwe culturele dingen
bedenken, en anderzijds de cultuurtoeristen - die zitten hier in de zaal allemaal
- die erachteraan gaan, om het in kaart te brengen voor de Volkskrant, zodat
de andere cultuurtoeristen er ook naartoe kunnen gaan. We proberen voortdurend
dat soort vernieuwende plekken te ontdekken. Het gevolg is, dat die vernieuwende
cultuursector en die cultuurtoeristen elkaar achterna zitten in die stad. Zodra
er ergens iets vernieuwends begint, komt die cultuurtoerist, en het kielzog
de investeerders. De grondprijs gaat omhoog. En er moeten weer mensen vertrekken.
De meest interessante vraag is nu: ‘Hoe ga je om met die dynamiek in
een stad?’. Moet je die dynamiek breken? Op een andere manier stimuleren?
Je kunt die kapot maken door er een heel apparaat op te zetten, en dan vlucht
men weg. De vraag is, hoe accommodeer je de vernieuwing, tegen de achtergrond
van het feit dat er steeds minder plaats voor is in de stad, simpelweg omdat
de plekken die voor vernieuwing bestemd waren worden opgenomen door de beleveniseconomie.
Kijk naar de IJ-oever in Amsterdam, kijk naar wat er gaat gebeuren met de Van
Nellefabriek en de Kop van Zuid. Daar komt het cultuurtoerisme al op. Binnenkort
is er geen plek meer voor vernieuwing. Er zit een paradox in die culturele
stedelijke ontwikkeling, die een keer serieus bij de kop moeten worden gepakt,
maar dan zonder aan de hand van sjablonen te praten als ‘klassieke cultuur’ en ‘populaire
cultuur’, want sjablonen werken niet meer. Daar ligt een hele interessante
opgave.
Siebe Thissen: Ja, zo werkt het. Laatst keer ik naar de David Lettermanshow.
Hij zet een cameraatje in een goedkope pizzeria ergens in een gewoon buurtje,
en er wordt iemand geïnterviewd aan een tafeltje. Die straat is nu een
toeristenoord geworden. Die kleine winkeliertjes zijn failliet gegaan en moeten
eruit, omdat die eigenaars de huren zo omhoog hebben gegooid. En dat alles
door dat ene item. Hetzelfde geldt voor de kraakbeweging in Amsterdam, die
zich te pletter schaamt, omdat zij twintig jaar een spoor door de stad hebben
getrokken waar al die projectontwikkelaars achteraan zijn gegaan. Ze hebben
dus als anarchist of autonoom een bijdrage geleverd aan de kapitalistische
ontwikkeling van Amsterdam. Misschien is het wel goed voor kunstenaars als
zij zich een beetje in de luwte opstellen, en niet die transparante plekken
opzoeken. Het probleem is alleen, dat als je daar te lang blijft zitten niemand
je meer ziet. Dan kun je morgen een uitkering aan gaan vragen bij de sociale
dienst. Dat gebeurt nu bijvoorbeeld met het festival Robodoc uit Amsterdam,
dat onafhankelijke festival met al die robotten en vuurspuwers die zich al
jaren underground noemen. Ze zijn daar al jaren trots op. Je zou denken dat
die hun eigen circuitjes hebben en niet zo nodig in de krant en op de televisie
hoeven. Maar nee, ze willen weg uit Amsterdam want ze krijgen geen erkenning.
Anna Tilroe: Ik denk dat we juist heel blij moeten zijn met het feit dat alle
nieuwe ontwikkelingen op het gebied van kunst en cultuur als de hazewind proberen
te ontkomen aan institutionalisering. Daar moet een gemeente ook verder niets
aan doen. Laat ze maar weggaan. En inderdaad gaan de projectontwikkelaars er
achteraan. Het is een kat-en-muisspel.
Ineke Schwartz: En dan is er wel weer een andere plek, bedoel jij?
Anna Tilroe: Dat is toch goed? Dat is ook wat gebeurt in New York. Een heel
extreem voorbeeld daarvan is Soho. In de jaren zestig was het een industrieel
gebied, en nu is het een enorm luxe gebied geworden, omdat de kunsthandel zich
daar vestigde. Op het moment dat de huren gigantisch hoog waren en de yuppen
zich daar en masse installeerden, trok de hele zooi weer weg en zit nu ergens
in de twintigste straat. Daar begint het hele zaakje weer opnieuw. Dat gebied
van die twintigste straat was een dode boel. Je loopt daar nog steeds door
de auto- en vrachtwagenwerkplaatsen.
Fred de Vries: Maar het is wel zo dat dat proces veel sneller gaat dan vroeger.
Anna Tilroe: Zeker. Omdat we er aan gewend zijn. Omdat we weten dat het gebeurt.
Ineke Schwartz: Misschien moet je de Randstad in dezen als stad zien. Het doet
zeer als ik zie hoe mijn geliefde Pijp onder voet wordt gelopen door wijnbars
en restaurants met ingehuurde krachten die de parkeerplaatsen bezetten.
Anna Tilroe: Maar een deel van de stad wordt daardoor weer geopend.
Ineke Schwartz: Ik moet zo langzamerhand naar de afronding toe. Er is een meneer
daar die al heel lang wat wil zeggen.
Publiek: Ik vind het boeiend dat mensen Rotterdam blijven spiegelen aan steden
als New York, Parijs. Het luxeprobleem dat Rotterdam op dit moment absoluut
niet heeft, is de cultuurtoeristen die en masse naar de stad komen. Laat ze
alsjeblieft komen! De discussie over de samenwerking en de belangstelling van
de culturele sector voor andere ontwikkelingen staat in Rotterdam al meer dan
vijftien jaar hoog op de politieke agenda. Vanuit de culturele sector bestaat
de belangstelling voor ontwikkeling van de stad al lang. Het wordt nu spannend
of die belangstelling nu eindelijk ook van de andere kant zal gaan komen.
Ineke Schwartz: Je ziet wel dat er allerlei bedrijven zijn die belangstelling
hebben. We kwamen hier onder meer bij elkaar om slimme adviezen te bedenken
voor mensen die dit soort dingen voor elkaar willen krijgen. Voor ik aan de
panelleden ga vragen of ze in drie zinnen willen samenvatten wat het belangrijkste
van deze avond voor hen was, wil ik graag afronden. Ik moet zeggen dat er bij
de punten waar Hans Mommaas mee afsloot bruikbare adviezen zaten. Hij zei,
dat culturele bedrijvigheid zichtbaar moet worden gemaakt. Er gebeurt al veel
interessants in de stad. Daar gaat de Culturele Hoofdstadprogrammering overigens
ook van uit: dat er veel interessants gebeurt, maar dat een heleboel mensen
het niet weten. En als Rotterdammers het al weten, dan weten heel veel mensen
buiten Rotterdam het niet, en het is buitengewoon zinnig om het zichtbaar te
maken. Verder lijkt het een goed advies om te proberen culturele en stedelijke
ontwikkelingen meer met elkaar te verbinden. De vraag voor iedereen is natuurlijk,
hoe dat zou moeten. Daar hebben we nog niet zo veel concrete voorstellen over
gehoord. Belangrijk is, dat er een sterk publiek perspectief moet zijn. Dat
kwam vanavond niet zo goed aan bod. We hebben het uitgebreid gehad over de
invloed van de grote commerciële sector en de verknoping van cultuur en
commercie, maar niet over het grote belang van het publieke perspectief. Siebe?
Siebe Thissen: Ik had aanvankelijk het idee - maar goed, ik had Italo Calvino
nog niet gelezen - dat er een beetje gedacht werd aan de ideeën van Asger
Jorn, die jaren vijftig-ideeën over de vele steden. Toen dacht ik: het
is eigenlijk helemaal te gek. Denk bijvoorbeeld aan Crooswijk, waar je twee
kerkhoven dicht bij elkaar hebt. Waarom bouw je daar niet een enorme stad van
de dood? Er zijn dus heel veel culturele en architectonische ontwikkelingen
die je alleen maar hoeft te accentueren. Het heeft geen zin om een kerkhof
helemaal in te pakken met muren en bomen zodat je niet kunt zien dat je naast
een kerkhof woont. Laat dat kerkhof dan ook als een dodencultuur in zo’n
wijk zichtbaar zijn. Met vormgeving valt er daar veel meer te doen. Maak openbare
parken van kerkhoven, laat grafsteenmakers en kistenontwerpers zich daar vestigen,
open enkele Gothic-clubs…
Ineke Schwartz: Bedoel je dat ook met het leesbaar maken van de stad?
Siebe Thissen: Het naar buiten stulpen van wat we hebben. Geen dingen verdoezelen.
Dat is natuurlijk ook met dat muizengaatje het geval. Waarin heel veel zaken
als kale hoeken, rafelranden maar ook rioleringssystemen en waterzuiveringen
uitgestulpt worden en zichtbaar gemaakt worden. Ik denk dat dat een heel goed
begin is om te laten zien hoe mensen over zichzelf denken en zichzelf aan de
wereld presenteren. Daar gaat het om in de cultuur. Dat is het begin van het
beleid.
Ineke Schwartz: Dank je. Dat waren geen drie zinnen, maar het was wel een goed
advies. Anna? Wat zou je de bezoekers mee willen geven?
Anna Tilroe: Er is een belangrijk punt nog niet genoemd, en wel dat we te maken
hebben met een Randstad, niet alleen Amsterdam en Rotterdam. Van Amsterdam
naar Rotterdam kost een uur. Of twintig minuten straks. Als je, zoals ik, lange
tijd in Los Angeles bent geweest dan weet je dat het van het ene kant van Los
Angeles naar de andere kant verder is dan van Maastricht naar Groningen.
Ineke Schwartz: Wat heeft dat voor consequenties?
Anna Tilroe: Dat mensen zich makkelijk verplaatsen en dat dat in Nederland
ook gaat gebeuren. De Randstad groeit aan elkaar. Ik zeg iets dat iedereen
al weet, het uit zich alleen nog niet op het gebied van de cultuur, van het
cultuurbeleid.
Ineke Schwartz: Eigenlijk zeg je dat we wat meer buiten de gemeentegrenzen
moeten kijken?
Anna Tilroe: Denk aan de discussie rond Las Palmas. Amsterdam wilde het graag
hebben. Rotterdam wilde het graag hebben. Wat is er eigenlijk tegen voor Amsterdammers
om naar Rotterdam te rijden om Las Palmas te zien?
Ineke Schwartz: Fred, wat geef jij ons mee?
Fred de Vries: Ik verbaas me over die opmerking van die meneer van het OBR,
die te weinig concreets heeft gehoord. Ik neem aan dat, als hij geluisterd
heeft, hij begrijpt dat het OBR moet gaan nadenken over de ontwikkeling van
het stadscentrum. Het is daar een groot probleem, hoor je van heel veel mensen
in de culturele of alternatieve sector, dat die huren veel te hoog zijn op
plekken waar je zo’n huur eigenlijk helemaal kan vragen. Er worden A1-huren
gevraagd, waardoor je, zoals je in Amsterdam op het Damrak ziet, alleen nog
maar van die vage winkels krijgt.
Ineke Schwartz: Dus wat geef je de meneer van het OBR als huiswerk mee?
Fred de Vries: Dat hij wat meer panden beschikbaar moet stellen voor alternatieve
cultuur.
Ineke Schwartz: Ik bedank jullie allemaal voor jullie aandacht.
Debat Culturele planologie in Rotterdam
Dinsdag 16 januari 2000, Zaal de Unie, Rotterdam.
| info@siebethissen.net | - | - | - |