| Name | Last Modified | Size | Description |
| Parent Directory | - | - | - |
| Get Adobe Acrobat Reader | - | - | You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download. |
| 2003 Kunst openbare ruimte en openbare kunst.pdf | 10.03.2004 | 70kB | - |
OVER KUNST, OPENBARE RUIMTE EN OPENBARE KUNST
Interview met Siebe Thissen, door Raymond Querido ten behoeve van zijn doctoraalscriptie ‘Controversen over contemporaine kunst in de openbare ruimte’ (Kunst en Cultuurwetenschappen, Erasmus Universiteit Rotterdam, oktober 2003).
* Wat is je functie binnen de afdeling Beeldende Kunst & Openbare
Ruimte (BKOR) van het Centrum Beeldende Kunst te Rotterdam?
Ik ben hoofd van de afdeling. Dat betekent dat ik richting geef aan het beleid
met betrekking tot kunst & openbare ruimte. Hoe gaan we met kunst in
de openbare ruimte om? Wat vinden we als stad en als kunstenaars belangrijk?
Wat
willen we stimuleren en wat willen we ontmoedigen? Daarnaast ben ik budgethouder
en adviseur namens een aantal fondsen die kunst in de openbare ruimte in
hun doelstellingen hebben. Zoals percentageregelingen, het Stadsvernieuwingsfonds
en het Actieprogramma Cultuurbereik. We hebben geen eigen geld, we bemiddelen
tussen die fondsen en de stad, tussen kunst en de stad en we proberen gelden
te verkrijgen voor projecten die we belangrijk vinden. In de openbare ruimte
heb je met drie wethouders te maken, maar ook met het Rijk en met tal van
publiekprivate
partners. Ons budget komt vooral uit de hardware van de stad, uit de infrastructuur.
* Waarom staat er kunst in de openbare ruimte?
Nou, kunst heeft altijd tot doel gehad het proletariaat te verheffen en te
verlichten. Het was altijd onderdeel van een vooruitstrevend stadsbestuur – in
de negentiende eeuw de liberale bestuurders en in de vorige eeuw de socialistische.
Liberalen plaatsten grote helden op sokkels, van Hugo de groot tot Tollens,
in de hoop onderdanen van troost te vervullen en tot grootse daden te inspireren.
Daar overheen ging het socialisme. Men plaatste een beeld en hoopte daardoor
dat burgers anders over hun ruimte en tijd, over hun stad en plaats gingen
denken. Dat ze een ander en beter bewustzijn van die plek en ook zichzelf
kregen. En daardoor geïnspireerd zouden worden en vervolgens een beter
mens. Een nobel streven. Zoals Amerikaanse ‘public art’-theoretici
zeggen, hoe meer autoritair een regime, hoe meer kunst in de openbare ruimte.
Kijk maar naar de vele kunstwerken en monumenten in de oude Sovjet-Unie of
in China. Ook veel kunstwerken in onze samenleving, vooral die grote abstracte
werken uit de jaren zeventig en tachtig, zijn in feite niets meer dan geseculariseerde
sokkelbeelden.
* Waarom werk je mee aan het realiseren van kunstwerken in de openbare ruimte?
Mijn fascinatie ligt allereerst bij de openbare ruimte, natuurlijk ook bij
de kunst, maar het is de stad en het publieke domein die mijn motivatie bepalen.
Openbare ruimte en publiek domein zijn twee verschillende dingen: een prachtig
ontworpen openbare ruimte kan publiek domein in de weg staan. Een verloederde
openbare ruimte kan publiek domein mogelijk maken. Publiek domein is de mogelijkheid
tot uitwisseling van verschillende ideeën, mentaliteiten, levensstijlen,
culturen…van publieken. Er is nooit één publiek, dat
bestaat niet. Die veronderstelling had de oude kunst in de openbare ruimte;
dat je kunst maakte voor het publiek, voor de burger, voor het proletariaat,
voor de Rotterdammer. Maar er zijn heel veel publieken die met elkaar interacteren,
met elkaar in conflict zijn, die van elkaar houden, met elkaar botsen en
zich weer verzoenen…publieken zijn altijd broeierig en juist dat broeierige
zou je publiek domein kunnen noemen. Kunst is uitstekend in staat zich in
dat veld te begeven - goede openbare kunst kan publiek domein worden of is
zelf publiek domein. Vandaar ook dat we altijd aan kunstenaar vragen: voor
wie maak je je werk? Naast het ontwerpen van een openbaar kunstwerk ontwerp
je ook een publiek.
* Aan welke criteria moet een werk in de openbare ruimte voldoen?
Er zij altijd formele criteria. Financieringsstromen hebben hun eigen criteria.
Zo eist het Stadsvernieuwingsfonds (SV-Fonds) dat we kunst realiseren in
stadsvernieuwingsgebieden, waar bewoners overlast ervaren van verbouwingen,van
sloop en nieuwbouw, waar bouwputten, schuttingen en braakliggende terreinen
zijn. Daarmee beperk je je dus tot een aantal buurten in de stad. Kunstprojecten
in de openbare ruimte zijn meestal locatiegebonden. Dat geldt ook voor percentageregelingen
op gebouwen of grondexploitatie. In zo’n geval zijn ook de criteria
weer anders en speelt een heel veld van opdrachtgevers een grote rol: deelgemeenten,
projectontwikkelaars, architecten en ontwerpers van de openbare ruimte van
de dienst Stedenbouw en Volkshuisvesting (dS+V) spelen allen een rol in het
formuleren van een kunstopdracht. Het Actieprogramma Cultuurbereik (ACB)
vraagt ons specifieke doelgroepen bij een project te betrekken, bijvoorbeeld
jongeren en kunstenaars met een meervoudig culturele achtergrond. En zo wil
het CBK dat we het ACB vooral aanwenden in drie deelgemeentes: Noord, Delfshaven
en Feijenoord. Kortom, er zijn dus vaak formele criteria en afspraken over
de plek waar kunst dient te worden ingezet. Soms kan je fondsen en doelstellingen
op elkaar enten: bijvoorbeeld door uitgangspunten van het ACB toe te passen
op SV-projecten in Noord, Delfshaven en Feijenoord. Maar met criteria kan
je ook spelen, dat is het leuke van kunst. Je laat mensen altijd voorbeelden
van andere kunstwerken en projecten zien, je probeert verder te gaan dan
op het eerste gezicht mogelijk schijnt. Een ambtenaar of projectontwikkelaar
wil bijvoorbeeld een bronzen beeld, maar door voorlichting en presentaties
kan je mensen op andere gedachten brengen en andere ontwikkelingen in de
kunst laten zien. Ik schat dat zo’n 60% van onze tijd bestaat uit lobby,
educatie en voorlichting. Mensen enthousiast maken, het veld van opdrachten
open breken en nieuwe keuzes maken. Daarin spelen ook adviseurs een rol.
Die zijn niet bij ons in dienst, maar denken mee bij grote projecten. Soms
adviseren ze gezamenlijk, dat noemen we dan een commissie. Steeds vaker echter
speelt de vraag naar kunst een grote rol: buurthuizen, scholen, bewonersorganisaties,
burgers, kinderen, evenementen en festivals willen steeds vaker kunst bij
hun projecten en programma’s betrekken. Hoe meer geld en hoe meer draagvlak
ze meebrengen, hoe groter hun invloed op de kunstopdracht. Hoe minder geld
ze meebrengen, hoe groter onze invloed is op de kunstopdracht. Kunst in de
openbare ruimte is een soort spel waarbij je samen met andere spelers kijkt
welke kunst we in de stad realiseren. Kunst begint altijd opnieuw: er is
geen catalogus waaruit je kan kiezen en er zijn geen vaste formules. Alle
projecten zijn eenmalig en nooit hetzelfde. Natuurlijk realiseer je soms
ook slechte kunst, dat is de keerzijde van het spel. Maar ook veel oude kunstwerken,
die geheel tot stand kwam via commissies van experts, blijken vandaag waardeloze
werken. Mar slechte kunst zegt ook iets over publiek domein – daar
kan je je tegen afzetten, dan ontstaat er een gesprek of dialoog, dan weet
je in ieder geval zeker: ‘dat wil ik niet in mijn straat’.
* Ben je bekend met de controverse over de Tilted Arc van kunstenaar Richard
Serra in New York in de jaren tachtig? Wat is je mening over de verwijdering
van dit werk?
Ik begrijp de discussie - een zeer complexe zaak. Ik vind niet dat je moet
zeggen: mensen vinden het niks, dus ruim het maar op. Je moet een kunstwerk
ook tegen de verdrukking in kunnen verdedigen. De vraag of je kunst mag verwijderen
is een oude. Maar ik kijk anders tegen deze kwestie. Kijk, veel kunstwerken
zijn helemaal niet openbaar, maar dragen bij aan de privatisering van de openbare
ruimte. Er is een verschil tussen ‘public art’ en ‘private
art’ – helaas maken mensen, vooral in Nederland, zelden dat onderscheid.
Een kunstwerk is niet openbaar omdat het buiten staat en niet in een museum
of galerie. Nadat we helden op sokkels hadden gezet (of ‘sukkels op sokkels’,
zoals filosoof Awee Prins zegt), kwam er een opvatting dat een kunstwerk in
de openbare ruimte een relatie diende te hebben met de omringende architectuur
of stedenbouw. Je kreeg grote, vaak abstracte kunstwerken die resoneerden met
de gebouwde omgeving. Maar net als in het geval van de sokkelbeelden negeerde
ook deze ‘omgevingskunst’ de gebruikers van de openbare ruimte.
Dat is privatisering. Je beschouwt de stad als een openlucht museum, een gedachte
die wordt gehuldigd door de Internationale Beelden Collectie. Aan gebruikers
van de openbare ruimte wordt doorgans niets gevraagd, publiek domein speelt
geen rol in de besluitvorming. Ik denk dat de Tilted Arc teveel een typisch
pleinkunstwerk was en een te heftige interventie in de openbare ruimte. Olu
Oguibe zegt in onze publicatie Grootstedelijke Reflecties (2002) terecht dat
een openbaar kunstwerk aan bepaalde eisen moet voldoen: openbare kunst mag
geen beschavingsoffensief zijn; de openbare ruimte is geen museum of atelier;
openbare kunst is onverenigbaar met de egotistische proclamatie van een kunstenaar,
waarbij hij zijn al te persoonlijke meditaties van doorslaggevend belang laat
zijn in de creatie van het kunstwerk. Ik denk dat Serra deze gedachten niet
goed tot zich door heeft laten dringen. Vaak denken kunstkenners dat een goed
werk alleen maar een goede plek nodig heeft. Zo lezen we in een publicatie
van SKOR: ‘De meeste kunstenaars hebben geen belangstelling voor openbare
ruimte, maar zijn wel in staat een goed werk daarvoor te maken’. Ik twijfel
daaraan. Ik vind dat we in Rotterdam van een kunstenaar wel een bijzondere
belangstelling voor openbare ruimte mogen eisen.
* Er was onlangs veel commotie omtrent het beeld Santaclaus dat door de Commissie
Internationale Beelden Collectie is aangekocht voor Rotterdam. Wat is je mening
daarover?
De controverse is voor een deel gewoon gelul. De commissie Kunst & Sport,
waarin de hand van Leefbaar Rotterdam zichtbaar is, rekent meteen de prijs
van zo’n kunstwerk om in de hoeveelheid politie-uren die hadden kunnen
worden ingekocht. Alles wordt tegenwoordig ingezet op veiligheid. Als een buurthuisprogrammeur
enthousiast vertelt over de programmering van zijn buurthuis, merkt een commissielid
doodleuk op: maar kunt u garanderen dat de weg naar uw buurthuis veilig is.
In zo’n stad sterft cultuur. De Santaclaus-affaire is voor een groot
deel cosmetisch. Kunst wordt door Leefbaar-criticasters gezien als een bolwerk
van ondoorzichtige subsidiestromen, waardoor er complottheorieën rondspoken.
Er is daarnaast ook sprake van een communicatieprobleem. Als je mensen beter
voorlicht dan tot op heden is gebeurd, had er veel kunnen worden voorkomen.
Mondige mensen laten zich niet meer alles door de strot duwen. Rotterdam is
geen arbeidersstad meer, waarin elites wel even uitmaken wat goed is voor het
volk en welke kunstwerken ze aan de Westersingel moeten gaan bekijken. Bovendien
is Rotterdam multicultureel en leven er tal van verschillende opvattingen over
kunst naast en door elkaar. Zo noemt Mohammed Benzakour in Grootstedelijke
Reflecties (2002) veel kunst in de openbare ruimte ‘terrorisme van de
straat’. De manier waarop tot de aankoop en plaatsing van kunstwerken
wordt besloten is veel meer een doorn in het oog dan de aard van het werk zelf.
En ach, wat ik er zelf van vind? Ik vind de plek wel oké, je hebt nu
eenmaal een IBC en je hebt een beeldenterras. Maar met het beeld heb ik weinig
op: het is te Amerikaans en het beeld heeft een thematiek die hier lullig uitpakt – in
Amerika zou het wellicht effect hebben. Ik zou een andere McCarthy hebben genomen,
want hij maakt schitterende dingen.
* Hou je rekening met mogelijke controversen rondom werken die je realiseert?
Als een kunstwerk iets prikkelends heeft, is dat mooi meegenomen – een
kunstwerk moet wel een bepaald engagement hebben. Niet iedereen hoeft iets
goed of mooi te vinden. Als er een kunstwerk wordt vernield omdat iemand er
door geïrriteerd is geraakt, zoals die 2 bordjes uit een serie van spreekwoorden
in het stadscentrum, dan vind ik dat een onderdeel van het kunstwerk. Te gek,
toch? Maar ik wil niet de openbare ruimte gebruiken om mijn eigen statement
te maken, het is geen plek voor louter persoonlijke motieven. Een kunstwerk
oogst meer effect en respect als je inzicht hebt in de context waarin je werkt.
Als je als kunstenaar wel even denkt te weten wat goed is voor een plek, zonder
je teveel te bekommeren om context, publiek domein of om de gebruikers van
de openbare ruimte, dan ben je arrogant bezig. En noem me een goed kunstwerk
dat zo werd gerealiseerd? Ik hou van discussie, maar het bewust opzoeken van
een controverse vind ik meestal een te private overweging.
* Op wat voor manier hou je rekening met de bevolking?
Van een kunstenaar mag je verlangen dat hij zich tot de gebruikers van de openbare
ruimte verhoudt. Dat proces maakt onlosmakelijk deel uit van het kunstwerk.
Hier, op het CBK, zit het altijd vol met mensen. Je zit nooit in je eentje
over kunst te praten. Soms gebeurt een besluitvormingsproces rondom een kunstwerk
door een klein select groepje, zoals bij een speciale opdracht van het gemeentebestuur – denk
aan het monument voor Marten Toonder. Verder is bijna alle openbare kunst
het resultaat van een proces dat met betrokkenen op gang wordt gebracht.
Soms is er in een nieuw stadsdeel nog geen sprake van bewoners, maar overleg
je al wel met ontwerpers van de openbare ruimte, architecten, adviseurs,
deelgemeentes en andere betrokkenen.
* Als een kunstproject op weerstand stuit, overweeg je dan het project stop
te zetten?
Dat is heel goed mogelijk. Wil je een voorbeeld? In Rotterdam verdwijnen in
rap tempo de zogenaamde stadsklokken en veel mensen vinden dat jammer. Kunstenaar
Rolf Engelen, die in de Landenbuurt werkt, besloot in de Engelsestraat uiteindelijk
geen kunstwerk te maken, maar een klok te behouden. Door die poging werd de
klok een kunstwerk. Hij wilde de klok restylen en gaf haar onder meer een nieuwe
wijzerplaat. Maar na de onthulling bleek de klok ’s avonds veel minder
zichtbaar dan de oude klok. Buurtbewoners roerden zich en vonden dat de klok
werd aangetast. Rolf meldde ons dat zijn project mislukt was en vroeg ons of
hij de klok in ere mocht herstellen. Hij maakte, in het openbaar, onder andere
door een speciale kaart uit te geven, de Landenbuurt deelgenoot van zijn ‘mislukking’.
Daarmee ontstond een heel bijzonder kunstproject. Ook kan je besluiten een
kunstwerk weg te halen, omdat het niet meer ‘werkt’, versleten
is, of omdat de omgeving zich in de loop der tijd zo veranderd heeft dat het
werk er niet meer thuishoort. Ik heb geen gewetensbezwaren tegen het verwijderen
van kunstwerken. Maar tegelijkertijd vind ik dat je niet te makkelijk moet
besluiten een werk weg te halen. We verdedigen ook werken waar mensen vanaf
willen. Maar Rotterdam gaat heel goed met haar beelden om – er zijn weinig
vernielingen en we worden niet overspoeld met verzoeken om beelden weg te halen.
Kunstwerken in de openbare ruimte vormen ook een soort geïllustreerde
kunstgeschiedenis. Je moet niet steeds willen retoucheren als er weer andere
inzichten gelden.
* Wat is je oordeel over de commissie Internationale Beelden Collectie (IBC)
Rotterdam?
De IBC doet aan musealisering van de openbare ruimte. Dat is soms legitiem.
De IBC heeft een soort beeldentuin of terras aan de Westersingel gecreëerd.
Hier kan je je beelden laten zien waar je trots op bent, als een soort visitekaartje
van de stad. Maar tegelijkertijd heeft het ook iets provinciaals: kijk ons
eens pronken met die beelden. De meeste beelden zijn echter helemaal niet gemaakt
om in een beeldentuin terecht te komen. Die zijn gemaakt voor een specifieke
locatie in de stad. De vraag is of je ze dan weg moet halen en in het terras
moet plaatsen. Een ander punt is dat je onbedoeld openbare kunst nog sterker
musealiseert dan je van plan was. Het hele concept van ‘kunst in de openbare
ruimte’ is al zo museaal en nu versterk je dat effect alleen maar. Wellicht
maak je met het terras een reservaat voor beelden, waardoor het op termijn
onmogelijk wordt elders in de stad een internationale sculptuur te laten plaatsen.
Dan kan men zeggen: zet ‘m maar op het beeldenterras. Zo heeft Hoogvliet
een mooie Calder en de IBC zou ‘m graag in de stad hebben. Ik vind het
mooi dat Hoogvliet vasthoudt aan haar beeld.
* Kun je commentaar geven op de volgende beelden uit de IBC?
a. Zonder titel (1999) van Joel Shapiro
Daar begrijp ik niks van. Jaren tachtig geneuzel. Opnieuw, je mag trots zijn
op je beelden en laten zien wat er in de beeldende kunst allemaal mogelijk
is. Maar ik vind dit beeld een gedateerde indruk maken. En dan nu een andere
inhaalslag door een McCarthy te kopen. Waarom staat er niks van Hans van
Benthem? Een Rotterdamse kunstenaar en een van de beste Nederlandse beeldhouwers
van dit moment. Als curator van de collectie zal je wel vinden dat Shapiro
in je collectie hoort, maar ik vind het ‘drop art’: je koopt
een werk en laat het ergens vallen.
b. Anita (2000) van David Bade
Leuk, maar ik vind het helemaal niks. Het staat ook op een lullige plek. Ik
had op die plek graag een ander werk gezien, gericht op de gebruikers van
het skatepark. Nu wordt die locatie door de IBC geannexeerd omdat de Westersingel
daar toevallig langs loopt. De andere as, waaraan het skatepark ligt, is
wellicht veel spannender. Die as met het skatepark inspireert de hele bedrijvigheid
en het uiterlijk van de buurt. Zoals de winkel ‘Active Life’.
Wat was er eerder? Active Life of skaten? Het beeld Guard van Hans van Benthem,
een transformer, had daar perfect kunnen staan. Jammer.
c. Elevazione (2001) van Giuseppe Penone
Prima. Fantastisch werk. Uitstekende locatie. Niks op aan te merken. Een goede
keuze en het beeld hoort er echt thuis. Al heb ik een beetje en hekel aan
figuratieve trends in de openbare ruimte. Eerst zagen we overal koeien en
varkens, en dan nu overal bomen. In Rotterdam zijn we geloof ik al aan de
zesde boom toe. Maar verder geen gezeur. Het is een prachtig beeld, te gek
gemaakt. Ja, een schitterend sokkelbeeld.
* Zou je meewerken aan het realiseren van een van deze kunstwerken?
Waarom niet? Want het is niet de bedoeling dat ik bepaal aan welke artistieke
criteria een kunstwerk moet voldoen. Natuurlijk speel je daar wel een rol
in, maar uiteindelijk voer je ook werken uit waar je zelf niet achter staat.
Ik ben geen curator. Als een veld van betrokkenen of een kunstcommissie een
werk echt heel goed vindt en meent dat er een werk van deze of gene kunstenaar
moet komen, dan voeren we dat als CBK uit. Die kunstwerken staan niet op
mijn cv! Ik meet mijn belang niet louter af aan de gerealiseerde beelden,
er zijn ook andere motieven. Ik wil wel dat kunstenaars Rotterdam een goede
stad vinden om in te werken, dat er een goed klimaat is voor openbare kunst.
Dat er ruimte is voor experiment, dat er draagvlak is voor kunst. Aan zo’n
klimaat wil ik wel een bijdrage leveren. Maar ik focus me minder op de artistieke
waarde van een kunstwerk, daar zijn weer anderen voor die dat veel beter
kunnen dan ik. Ik zou dus aan alle drie genoemde werken even hartstochtelijk
hebben kunnen meegewerkt – ook al zou ik esthetische bezwaren hebben.
Maar ik zou wel vooraf mijn uiterste best hebben gedaan een hele specifieke
opdracht te formuleren, in de hoop dat er wat anders uit zou komen. Maar
als een beslissing uitpakt zoals die uitpakt, dan voer je die doorgaans met
elkaar uit.
* Maar zouden jullie als BKOR deze beelden hebben geplaatst?
Penone wel, zonder moeite. Die is prachtig, die kan je communiceren. Anita
wellicht ook, het is een leuk werk dat vooral kinderen in de stad aanspreekt.
Shapiro niet, denk ik. Zo’n beeld wordt nergens meer gerealiseerd…ik
zie niet hoe je met participatie van betrokkenen voor Shapiro kan kiezen…Voor
deze Shapiro heb je de bescherming van een reservaat nodig, dus een commissie
die bepaalt dat het werk er komt. Zonder die overheidsprotectie had het beeld
het waarschijnlijk nooit gehaald.
* Stel dat je gedwongen wordt te saneren. Welk beeld of welke beelden zouden
daarvoor in aanmerking komen?
Persoonlijk zou ik kiezen voor die vreselijke omgevingskunst uit de jaren zeventig
en tachtig. Maar eigenlijk hebben alle beelden hun betekenis in het licht van
de kunstgeschiedenis. Daar ben ik teveel historicus voor. Kijk, elk beeld is
er weldoordacht gekomen. Mensen hebben weloverwogen bepaald dat het een goed
beeld was. Dat is ook zo mooi. Te zien dat kunst helemaal niet eeuwig is, maar
ook een kind van de tijd kan zijn, hoe graag we ook zouden wensen dat juist
kunst eeuwig is. En als onze stedelijke ruimte het beeld kan hebben, waarom
laten we het dan niet staan? Ik zal me niet verzetten als een beeld echt moet
verdwijnen (hoewel ook op deze regel uitzonderingen denkbaar zijn), maar ik
vind wel dat je er voor moet zorgen dat het beeld goed wordt gedocumenteerd
en als kunstgeschiedenis bewaard blijft voor het nageslacht.
| info@siebethissen.net | - | - | - |