| Name | Last Modified | Size | Description |
| Parent Directory | - | - | - |
| Get Adobe Acrobat Reader | - | - | You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download. |
| 2003 Landjepik.pdf | 24.01.2004 | 65kB | - |
‘LANDJEPIK’
Een Nederlandse inzending voor de Biënnale van Venetië (2003)
Drie jaar geleden publiceerde de aan de Partij van de Arbeid gelieerde Boekmanstichting in samenwerking met het Sociaal en Cultureel Planbureau de bundel Cultuur tussen competentie en competitie (2000). De titel suggereert dat het spanningsveld tussen competentie en competitie een bedreiging vormt voor onze kunst en cultuur. Kunst en cultuur zijn naast tal van andere vrijetijdsactiviteiten terecht gekomen op een markt, waar een bikkelharde strijd wordt gevoerd om een schaarse hoeveelheid vrije tijd. De culturele sector is nerveus en waarschuwt tegen ‘de uitverkoop van de beschaving’ en ‘de opkomst van de beleveniseconomie’. Op een vrije markt, zo luidt de achterliggende motivatie, gaan kunst en cultuur ten onder aan de beeldcultuur van reclame, mode, computergames, videoclips, pretparken en andere merites van de postmoderne samenleving. Kunst en cultuur, zegt Valentijn Bijvanck in Conventies in de hedendaagse kunst (2002), zijn ‘zwakkere belangen’, die ‘bescherming’ verdienen van de overheid. Is hier geen sprake van een al te enge opvatting van kunst en cultuur? Waarom zouden kunst en cultuur zichzelf niet kunnen redden? Verdienen louter die culturele uitingen die volwassen zijn geworden onder het protectoraat van een verlichte overheid het predikaat ‘kunst’ of ‘cultuur’?
Een lange geschiedenis van populaire cultuur leert ons echter, dat artistieke en culturele vooruitgang bij uitstek kan worden geboekt dankzij de integratie van competentie en competitie. De spil waar omheen populaire culturen zich steeds hebben gemanifesteerd, wordt gevormd door de ‘battle’ – het spel waarin individuele en collectieve competentie wordt vergroot door onderlinge competitie. In de ‘battle’ worden ‘skills’ of vaardigheden naar steeds grotere hoogtes gestuwd. De ‘battle’ maakt duidelijk wie ergens goed in is en wie het vereiste niveau nog ontbeert. Reggae, dancehall, hiphop, rap, R&B, turntablism, breakdance, graffiti, stickercultuur, comics, skateboarding, poetry slams, veejaying, mode en andere uitingen van hedendaagse popcultuur, danken hun ontwikkeling juist aan de ‘battle’. De ‘battle’ is een universeel en intercultureel kwaliteitscriterium dat ‘autonoom’, dat wil zeggen buiten het reservaat van overheidsprotectie, tot volle wasdom geraakte.
De klassieke ‘battle’ deed omstreeks 1970 zijn intrede in Europa. In obscure zaaltjes en kroegen in Londen vechten Jamaicaanse soundsystems om de gunst van West-Indische migranten. Twee, drie of vier soundsystems, voorzien van DJ’s en MC’s, draaien reggae en dancehallplaatjes tegen elkaar op en maken onderling uit wie eeuwige roem mag verwerven. Het publiek en de dansvloer – de fans - treden als jury op en maken door middel van luidkeelse toejuiching of afkeuring duidelijk welke soundsystem competent is en welke niet. De ‘battle’ werd geïmporteerd vanuit Jamaica, waar het in de jaren vijftig een antwoord bood op de kolonisering van radiostations, platenmaatschappijen en uitgaanscentra. Gefrustreerd door het ontbreken van een cultureel aanbod, dat aansloot op de vraag van het publiek, besloot een nieuwe generatie van culturele entrepreneurs zelf in die vraag te voorzien. Soundsystems werden opgesteld in plantsoenen en parken, op pleinen en stranden, en boden het Jamaicaanse publiek een nieuw perspectief op identiteit, taal, levensstijl, muziek en mode. Aan deze culturele beweging kleven nog altijd de namen van Coxsone Dodd, Duke Reid, Prince Buster, King Tubby en Lee ‘scratch’ Perry, zonder wie de huidige hiphop, R&B, dancehall, rave en danceculturen ondenkbaar zouden zijn.
Ook in Londen, en vervolgens elders in Europa, waarschuwden culturele elites tegen ‘de uitverkoop van de beschaving’ toen de ‘battle’ intervenieerde in de stedelijke cultuur. De ‘battle’ werd niet alleen strijdig geacht met westerse noties van kunst en cultuur, maar tevens ervaren als een bedreiging voor de openbare orde. Gedurende de jaren zeventig hakte de Londense politie ieder weekeinde lustig in op feestende migranten. Die repressie culmineerde in 1976 in een grote opstand tijdens het jaarlijkse multiculturele carnaval van Notting Hill. Zwarte jongeren gooiden stenen naar de politie, begeleid door soundsystems op de trottoirs, die Jamaicaanse evengreens draaiden als ‘War Inna Babylon’ en ‘Police and Thieves’. Uit solidariteit richtten de soundsystemfans Malcolm McLaren en Johnny Rotten hun Sex Pistols op en kreeg een nieuwe jongerencultuur gestalte. In ruil opende soundsystemeigenaar Don Letts de deuren van zijn reggaeclub The Roxy in de West-Indische wijk New Harlesden voor blanke punks, die hier hun eerste podium kregen.
Met de opmars van de multiculturele samenleving maakte ook de ‘battle’ een enorme ontwikkeling door. Onze cultuur, ons straatbeeld, ons uitgaansleven, mode, radio en televisie; ze zijn ondenkbaar zonder het zelfregulerende medium van de ‘battle’. Vorig jaar maakte de Rotterdamse hiphoppromotor en kunstenaar Mike Redman met filmmaker Victor Vroegindewij een prachtige documentaire, Walkmen (2002), waarin hij de geschiedenis van de Rotterdamse hiphop, graffiti en breakdance vastlegde. In een volledig uitverkocht Off Corso werd het publiek haarscherp gewezen op de wijze waarop de ‘battle’ tot het centrum van onze stedelijke cultuur is uitgegroeid. Dankzij talloze ‘battles’ op talloze podia werd het kaf van het koren gescheiden en ontwierp Rotterdam nieuwe culturele elites: de breakers Edson en Paolo, de graffers van Bad Boyz Inc., hiphoppioniers als Postmen, E-Life en Def Rhymz. Net als eerder in Jamaica voorzag een nieuwe generatie entrepreneurs in een cultureel aanbod dat geen prioriteit kreeg op de agenda van het cultuurbeleid.
Daarom omvat de ‘battle’ ook een kritiek op het gangbare kunst
en cultuurbeleid, waarin wazige en zelfs xenofobe categorieën als ‘zuiverheid’, ‘autonomie’, ‘originaliteit’ en ‘authenticiteit’ nog
altijd als kwaliteitscriteria doorgaan. Een kleine nomenclatuur van ingewijde
kunstkenners bepaalt nog al te vaak wie ‘in’ is en wie ‘uit’ is:
wie ‘staatskunst’ mag produceren en wie tot ‘folklore’ gedoemd
is. Buiten het reservaat echter blijkt de samenleving mondiger en creatiever
dan ooit kon worden vermoed: culturele publieken blijken uitstekend in staat
te bepalen aan welke kwaliteitscriteria een goed kunstwerk moet voldoen.
Bezien vanuit het perspectief van culturele competentie en competitie is de
Nederlandse inzending van Jeanne van Heeswijk aan de Biënnale van Venetië belangwekkend.
Haar programma ‘Langs de lijn van De Toekomst’ behelsde een inventarisatie
van springlevende denkbeelden over competitie, spelregels, erecodes, vakmanschap
en – uiteindelijk – competentie in de multiculturele samenleving
van Gorcum. Wereldwijd blijkt de ‘battle’ een geweldige drijfveer,
voor sport en spel, maar ook kunst en cultuur. Individuen en groepen hebben
een onlesbare behoefte anderen te tonen waarin ze goed zijn, anderen eventueel
te overtreffen en zich, indien hun niveau achterblijft bij anderen, zich ijverig
en steeds weer opnieuw te prepareren voor een volgende confrontatie. Volgens
Guy Debord en de situationisten, wellicht een inspiratiebron van ‘Langs
de lijn van De Toekomst’, ligt hier het wezen van culturele vooruitgang
verscholen: cultuur als het verlangen van mensen zich aan elkaar en vervolgens
aan anderen te willen presenteren.
Dat Van Heeswijk in Venetië haar Gorcumse project bekroont met een toernooi ‘landjepik’ is dan ook meer dan een olijke kwinkslag. In dit universele kinderspel ontmoeten competitie en competentie elkaar en wordt de deelnemer op het meest basale niveau verleid enkele van zijn diepste drijfveren bloot te leggen. In de context van de Biënnale stelt het spel de prangende vraag: hoe gaan we als cultuurmakers, gewend aan reservaten zonder competitie, om met de ‘battle’ en welke rol kennen we haar toe in de interculturele samenleving? Dat voor het spel messen worden vereist, maakt haar keuze bovendien ook politiek relevant. Wie de ‘battle’ het voordeel van de twijfel gunt, zal zich ook moeten buigen over de duistere zijde van het spel: oorlog, territoriumdrift, machismo, hovaardij. In de genoemde film Walkmen wordt het thema niet uit de weg gegaan. Een turntablist vertelt dat de ‘battle’ zo succesvol werd, dat ook mensen ‘die niks konden’ uiteindelijk hun vuisten in de strijd wierpen om cultureel respect te verwerven. Waar gaat het nobele idee van culturele competitie over in het verwerpelijke recht van de sterkste? Van Heeswijk geeft vooralsnog geen antwoorden, maar het debat is in ieder geval geopend.
| siebe (dot) thissen (at) planet (dot) nl | - | - | - |