Index of /Marginalia/1992 Pierre Joseph Proudhon

  Name   Last Modified Size Description

Parent Directory   - - -
Get Adobe Acrobat Reader   - - You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download.
1992 Pierre Joseph Proudhon.pdf   25.01.2004 71kB -

1992

PIERRE JOSEPH PROUDHON:
ANARCHIE ALS POPULISME & PRAGMATISME

De werken van Pierre Joseph Proudhon zijn boeiende cultuurhistorische documenten, maar zullen bij de hedendaagse economen weinig enthousiasme oproepen. Daarvoor zijn de vooronderstellingen en conclusies toch te zeer toegesneden op de negentiende eeuw. Desondanks was Proudhon een begaafde intellectueel, die veel pragmatischer was dan menig activist veronderstelt. Juist in zijn pragmatisme school de grootste bedreiging voor de gevestigde burgerij en het socialisme van zijn tijd. Proudhon mag recentelijk dan weer opduiken in discussies over een ‘andere’ economie, als uitvinder van het begrip ‘anarchie’ was hij geen progressieve theoreticus in socialistische zin.

Omstreeks 1840 begon Proudhon naam te maken als een kritische schrijver die zich bezig hield met de sociale kwestie. Hij was een trotse individualist wiens bijdragen door de socialisten van zijn tijd bestempeld werden als een "individualistische reactie". Hij zou niet meer zijn dan een "enfant terrible" van de economie. Proudhon - de zoon van een brouwersknecht en een brouwersmeid - identificeerde zich volledig met het proletariaat. Hij mocht studeren op de kosten van de patroon van zijn ouders en bekwaamde zich daarna in het grafische vak. Met een "associé" startte hij een drukkerijtje in zelfbeheer dat met wisselend succes drukwerkjes van uiteenlopende aard produceerde. Een afkeer van geld had hij niet, want aan een vriend schreef hij in 1839: "Als ik eens rijk word schrijf ik u alle dagen franco". Zijn tweede - en meest bekende - studie Qu'est-ce que la propriete? (1840) is minder opzienbarend dan de bekende leus uit het werk ("Eigendom is diefstal!") die een eigen leven is gaan leiden.

Bij H.P.G. Quack, die een lovend essay aan de Fransman wijdde in zijn derde deel van De Socialisten. Personen en stelsels (1897), lezen we veel wetenswaardigheden. Quack - directeur van de Staats Spoorwegen en de Nederlandsche Bank - achtte Proudhon eigenlijk een conservatief man. In zijn boek uit 1840 streefde de Franse anarchist door middel van een geleidelijke metamorfose van de eigendom (van de productiemiddelen) naar een samenwerking van zowel "particuliere eigenaars" als collectivisten die naar een gemeenschap der goederen streefden. Daarnaast ging Proudhon uit van de idee van het "sociale contract", zoals dat al eerder bij Hugo de Groot (een van zijn grote voorbeelden) en Jean Jacques Rousseau vorm had gekregen: individuen kunnen op vrijwillige basis voor langere of kortere tijd contracten met andere individuen aangaan (met als voordeel de productie van een collectieve kracht die een individu alleen niet op kan brengen). Gemeenschap is dan het aaneensluiten van mensen en het pogen in zowel de productie als de uitwisseling van goederen een of andere vorm van gelijkwaardigheid te handhaven. Hij noemde dit 'anarchie', omdat niet de organisatie of de gemeenschap voorop stond maar juist de soevereiniteit van het individu.

Hij stelde de soevereiniteit voorop omdat hij met Spinoza meende dat alle mensen nu eenmaal verschillende idealen en wensen koesteren en geneigd zijn naar hun eigen aard of natuur te handelen. Of zoals Quack het typeerde: "Hij wil den mensch niet veranderen, maar neemt hem zooals hij is". Als mensen volgens hun eigen natuur beschikkingen en overeenkomsten met elkaar aangaan, dan ontstaat de vrije orde als vanzelf. Pragmatischer kan het niet. Ter handhaving van de gelijkwaardigheid stelde Proudhon voor dat de prijs van een artikel bepaald moet worden door de tijd en de uitgaven die nodig zijn om het product te vervaardigen. Centraal staat voor hem de 'wet van de ruil', de idee van de wederkerige hulp (‘mutualisme’).

Zijn tegenstanders waren socialisten van allerlei snit: Saint-Simonisten, Fourieristen, communisten. Hard en meedogenloos kritiseerde hij alle collectivisten, omdat zij de mens niet zouden begrijpen en zich liever bezighielden met het formuleren van abstracte theorieën. Socialisten, zo beweerde Proudhon, kweken dwangbuizen waarin iedere individualiteit aan banden wordt gelegd. Volgens hem vormde de utopie het grootste obstakel in het proces van vooruitgang. Systeme des contradictions economiques, ou philosophie de la misere (1845) is een gedurfde - bijna postmoderne - poging het bouwen van utopieën, luchtkastelen en illusies tegen te gaan. En dat is Proudhons idee van 'anarchie': een pragmatisch, alledaags tegenwicht tegen alle religieuze en politieke gebakken lucht, die op termijn de mens tot een kuddedier degenereert. Utopisme en despotisme gaan immers steeds hand in hand, stelt hij met de Russische anarchist Alexander Herzen. Voor Proudhon is "de bodem der werkelijkheid" het uitgangspunt van zijn denken. Het communisme is in zijn ogen "de doodelijkste tirannie", "iets doodelijks vervelends en onnoozels", een leer die "de menschen behandelt als oesters op een oesterbank".

Zijn alternatief, het mutualisme, kwam niet als een puur theoretisch idee tot stand. Hij stelde het pragmatisch en uitdagend tegenover de vele ideologische programma’s van zijn tijd en voelde niets voor strakke leiding, krachtige besturen en organisaties, en al te rigide voorschriften en protocollen. Het mutualisme was gebaseerd op "de te allen tijde, elk oogenblik zich voordoende vrijwillige daad, die telkens partij en tegenpartij verbindt". Proudhon sprak van de spontane verplichting die iedere mens uit eigen beweging en zonder dwang telkens weer op zich neemt. Dienst en wederdienst staan centraal in zijn denken. Hij streefde naar een volledige autonomie en wees in zijn studies de mensen op het feit dat zij steeds "gelijk" met "gelijk" dienen te vergelden: "Donnant, donnant", zo luidde zijn parool. Een product mag niet meer kosten dan de werkelijke waarde, en voor een dienst mag slechts een vergelijkbare dienst gevorderd worden. Vrijheid en gelijkheid vormen in het mutualisme een eenheid. Daarom besteedde Proudhon veel aandacht aan de zogenaamde 'ruilbanken' en kritiseerde hij het grootkapitaal met haar banken en renteheffingen. Van belastingen was hij geen voorstander. Hij beschouwde die als onterechte "ruilequivalenten die de burgers, voor de hun door den Staat geleverde voordeelen, afbetaalden".

Zijn ideeën over de soevereiniteit van het individu, over vrijwillige associaties, en over ruilbanken ontleende hij niet aan deze of gene theorie maar juist aan een alledaagse praktijk waarin deze principes in primitieve vorm al bestonden. Of in de vertaling van Quack: "Het zou belachelijk zijn, de massa der menschen, in naam van hun eigen soevereiniteit, te willen onderwerpen aan wetten tegen welke hun instinct zich keert; het is daarentegen gezonde politiek, het is waarachtig terecht revolutionair, hun voor te stellen wat hun egoïsme zoekt en wat zij met enthousiasme kunnen toejuichen. Het egoïsme van het volk, is op politiek gebied, de eerste der wetten". De mens streeft naar geluk en eigenbelang en zal ter realisering daarvan vrijwillige verbindingen met anderen aangaan. Zo constateerde hij dat de boer die zijn grond verbouwt "op zichzelf staat" en aan collectivisme geen enkele behoefte heeft. Het is daarom misdadig de boer ondergeschikt te maken aan collectivistische maatregelen. Anders is het in de industrie waar grote groepen arbeiders samenwerken. Hier treedt een nieuw element in het gemeenschapsleven naar voren: collectieve kracht en arbeidsverdeling. Daarom pleitte hij voor de industrie voor werkliedengenootschappen - of moderner bedrijfsorganisaties - die zouden moeten streven naar het delen van lasten en winsten. In de genootschappen zouden de man, de vrouw, het kind, de grijsaard, de afdelingschef, de werkmeester, de leerling en de gezel samen het bedrijf moeten organiseren. Concurrentie tussen genootschappen en coalities achtte hij uit den boze. Proudhons ideaal was dus een fusie tussen bourgeoisie en proletariaat. Hoezo klassenstrijd?

Ook in zijn wijsgerige kijk op de mens en zijn samenleving toonde Proudhon zich een echte pragmaticus. Hij verfoeide iedere statische visie en verwierp alle idealen van een statische religieuze of socialistische samenleving. In zijn Philosophie du progres betoogde hij dat elk tijdvak door eigen ideeën en opvattingen wordt gekenmerkt. Alles is vergankelijk, er is sprake van een eeuwig ontstaan en vergaan, en niets is absoluut duurzaam. Er slechts een geleidelijke en bestendige vooruitgang waar te nemen in de richting van de vrijheid.

Ook Proudhons federalisme - een federatie van vrije associaties - is verre van utopistisch te noemen. Hij hoopte dat autonome en individualistische beginselen ook toegepast zouden worden in grotere verbanden, zoals in het samengaan van de Europese volkeren. In de geschiedenis had hij al treffende voorbeelden van dit federalisme aangetroffen en hij hoopte dat deze ontwikkeling zich voort zou zetten. Zo roemde hij de federalistische politieke filosofie van Spinoza en Hugo de Groot en uitte hij zijn lof aan het adres van het oude Holland en de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën: een toonbeeld van federalisme. En in navolging van de Franse historicus en politicoloog Alexis de Tocqueville voorzag hij dat de ontwikkeling van de democratie niet te stuiten was en dat het bureaucratisch centralisme de grootste bedreiging voor de individuele vrijheid vormde. Diens studie van het federalisme van de Verenigde Staten La democratie en Amerique (1835-1840) werd door Proudhon verslonden. Het moge dan ook geen verwondering wekken dat het werk van Proudhon juist in Nederland en de Verenigde Staten veel invloed heeft uitgeoefend. In Nederland waren het vooral Haagse ondernemers die in Proudhon een bondgenoot vonden.

In de Verenigde Staten nam de libertaire filosoof Stephen Pearl Andrews dit pragmatisme over en leerde van Proudhon dat ervaringen uit de praktijk van alledag als uitgangspunt van iedere theorie moeten worden genomen. Zoals Proudhon initiatieven van Franse boeren en arbeiders op de voet volgde deed Andrews dat met Amerikaanse experimenten, zoals die in gemeenschappen als Joshia Warrens Utopia en Modern Times gestalte kregen. Ook hier werden de uitgangspunten steeds gegrondvest op de soevereiniteit van het individu, het principe van de vrijwillige associatie, en het pleidooi voor een 'prijs-kosteneconomie'. Andrews gaf dit pragmatisme weer in zijn Science of society (1852). Net als Proudhon weerde hij zich fel tegen iedere theorie of ieder concept dat zijn bestaansrecht in de praktijk niet bewezen had. In zijn genoemde boek schreef hij: "Wij promoten geen Systeem, geen Plan, en geen Constitutie waar het volk zijn stem op uit moet brengen of het op termijn over eens moet worden. Het grote kwaad van het concept is het feit dat concepten uiteindelijk heilig verklaard worden en dat het individu daaraan ondergeschikt gemaakt wordt". Het pragmatische individualisme van Proudhon, Andrews, Warren, Spooner, en Tucker kwam in de Verenigde Staten omstreeks 1900 in de verdrukking door de stroom van sociaalanarchistische immigranten, die onder aanvoering van Emma Goldmans tijdschrift Mother Earth streefden naar een volledig socialistische en communale economie.

Proudhons anarchisme was zo bedreigend omdat het antiutopistisch, niet stelselmatig en vooral populistisch van aard was. Proudhon sprak namens het volk, sympathiseerde met het volk, nam gewoontes en tradities van het volk serieus, sprak en tierde als het volk, en hekelde als het volk iedere autoriteit. Politici waren nauwelijks gewend aan dergelijke 'proleten' en onderhandelden liever met autoritaire socialisten die in ieder geval de staat en het politieke bedrijf serieus namen. De angst voor "het ongecontroleerde grauw" leefde ook in socialistische kringen. Als volksvertegenwoordiger - dat was hij uit pragmatische overwegingen ook kortstondig in 1848 - maakten zijn voorstellen en voordrachten indruk als "pistoolschoten" : "...gij en wij, het is duidelijk dat ik mij vereenzelvigd heb met de proletariërs, en u met de "class bourgeoisie". Als populist identificeerde hij zich met het volk en propageerde hij haar denkbeelden. Dat was soms niet mals: hij roemde het gezin als hoeksteen van de samenleving en meende dat voor vrouwen vooral huishoudelijke taken waren weggelegd. Zijn befaamde leus tegen de 'vrije vrouwen' uit de school van George Sand spreekt dan ook boekdelen : "Ou menagere ou courtisane". En net als grote delen van het volk fulmineerde ook Proudhon onophoudelijk tegen de joden die hij als handhavers van het grootkapitaal beschouwde. Als volksvertegenwoordiger waarschuwde hij de politici in 1848: "De joden zullen niet meer terugkeren, ik verbied het hun". Het zal de lezer dan ook niet verwonderen dat Proudhon ook in niet-anarchistische kringen veel aanhang vond. De Nederlandse bisschop P.M. Snickers (1883-1893) prees niet alleen Saint-Simons idee van het "nouveau Christianisme", hij roemde ook Proudhons liefde voor het gezin, diens opvattingen over vrouwen, en zijn streven naar een fusie tussen bourgeoisie en proletariaat.

Het opnieuw lezen van Proudhon is meer dan de moeite waard, al is hij niet de superprogressieve theoreticus waarvoor menig anarchist en vrijdenker hem wil houden. Maar zijn pragmatische waarschuwingen aan het adres van politieke en religieuze fundamentalisten maken hem ook vandaag nog relevant.


siebe (dot) thissen (at) planet (dot) nl   - - -