| Name | Last Modified | Size | Description |
| Parent Directory | - | - | - |
| Get Adobe Acrobat Reader | - | - | You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download. |
| 1995 Max Stirner.pdf | 25.01.2004 | 92kB | - |
Max Stirners kaalslag
'Intussen 't Verleden te begrijpen, zoals het Humanisme leert, en 't Tegenwoordige
te vatten, waarop het Realisme doelt, leidt, beide slechts tot macht over
het tijdelijke. Eeuwig is alleen de Geest die zichzelf begrijpt. Daarom kregen
gelijkheid en vrijheid slechts 'n ondergeschikt bestaan' . Aldus de meest
radicale schrijver die de negentiende eeuw heeft voortbracht. Uiteraard citeerden
we hier Max Stirner die zijn kroontjespen als wapen hanteerde in zijn 'guerrilla'
tegen alle -ismen waarmee hij de absolute emancipatie van zichzelf tegenover
de massa verdedigde. Niemand ontkwam aan zijn toorn: socialisten, communisten,
liberalen, humanisten, realisten, christenen...allen moesten zij het ontgelden
omdat zij met hun sociaal-politieke stelsels slechts de ene ideologische
kooi inruilden voor een andere. Of de christen zich nu door de bijbel laat
inspireren, de humanist door de klassieke filosofen, of de econoom door de
werken van Adam Smith; voor Stirner is het allemaal lood om oud ijzer. Het
tekent de beschaving van de negentiende eeuw die er, volgens Stirner, niet
in geslaagd is 'uit eigen originaliteit de vormen der Schoonheid, uit eigen
vernuft den inhoud der Waarheid te scheppen'. Met andere woorden, de mens
is nog lang niet vrij en zijn ideologische stelsels verhinderen hem met zijn
slavernij te breken. Voor Stirner ging er niets boven hemzelf en hij achtte
een handvol macht meer waard dan een zak vol recht.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat menig tijdgenoot uitvoerig tegen Stirner gefulmineerd heeft. Marxisten - Marx zelf voorop - hebben hun uiterste best gedaan Stirner als de ultieme peetvader van het Duitse kleinburgerdom te bestempelen en ook hedendaagse anarchisten krabben zich nog altijd achter de oren als de naam Stirner weer eens valt: want hoe valt diens egoïsme te rijmen met de gedachte van de collectieve solidariteit? Anarchisten hebben hem weliswaar ingelijfd maar het blijft de vraag hoe Stirner zelf op die huldiging gereageerd zou hebben. Zeer waarschijnlijk negatief (net als Nietzsche later). Een van de weinige positieve geluiden uit de intellectuele mainstream kwam van de Rotterdamse cultuurhistoricus en hoogleraar Oerlemans die destijds in zijn boeiende dissertatie Autoriteit en Vrijheid ( 19? ) de radicale kritiek van Stirner serieus nam om het alomaanwezige illusionisme van de negentiende eeuw te analyseren. Verder bleef Stirner onverminderd populair in de kleine vrijdenkende marge die hem als emancipator van het vrije denken beschouwde. De invloed van Anton Constandse - die veel over Stirner publiceerde - is daar beslist debet aan. Toch heeft mij die selectieve belangstelling altijd gefrappeerd. Stirners persoonlijke leven was eerder slaapverwekkend dan opwindend, en zijn invloed op Duitse jonghegelianen was slechts minimaal. Maar waarom besteedde Marx dan ruim tweederde van Die heilige Familie (1845) aan het werk van de kraamvader van het egoïsme?
Na de dood van Hegel - die grote indruk maakte met zijn dialectische wijze van denken - splitsten zijn leerlingen zich op in drie richtingen waarvan de jonghegelianen (ook wel linkshegelianen genoemd) de meest extreme standpunten verwoordden. Zij omarmden een pantheïsme (de gedachte dat slechts de Geest - met een hoofdletter - Absoluut en Eeuwig is) dat soms zelfs atheïstische trekken vertoonde. De verkondigers van dit radicale hegelianisme waren vooral talentvolle jonge intellectuelen die in de talrijke autoritairconservatieve Duitse staatjes weinig vooruitzicht op een succesvolle maatschappelijke loopbaan hadden. Fanatieke censuurcommissies - vooral bestaande uit historici - zorgden dat publicaties gedwarsboomd en spreekbuizen de mond gesnoerd werden. Zo werd David Friedrich Strauss weggepromoveerd en kreeg Bruno Bauer zijn ontslag aan de universiteit van Bonn. Kritiek op het conventionele christendom kon slechts mondjesmaat geventileerd worden. Hierdoor werden de debatten gedwongen 'ondergronds' te gaan en ontwikkelde de jonghegeliaanse filosofie zich vooral gefrustreerd in rokerige achterzaaltjes, zoals in de Berlijnse 'Weinstube' van baas Hippel. In de jaren veertig debatteerden aldaar op heftige wijze jonge intellectuelen als Marx, Engels, Stirner, Bakoenin en Bauer (de zogenaamde 'Doctor-club'), maar ook kunstenaars en bohemiens. In dit lokaal werden de alcohol en het handgemeen niet geschuwd. De felle kritiek op de kerken en de censuur, maatschappelijke frustraties, en de onmogelijkheid homoseksualiteit openlijk te uiten maakten van de 'Berliner Freien' een agressieve groep publicisten die de emancipatie van het unieke individu verdedigden tegenover de almacht van de centrale overheden. Met andere woorden: vooral historische omstandigheden dwongen de Vrijen naar een anarchisme.
Zo zou Karl Marx in zijn jeugd grote psychische problemen gekend hebben vanwege het feit dat zijn aan-lager-wal-geraakte vader - eens een niet onbemiddeld advocaat - zijn gezin in een arme arbeiderswijk moest onderbrengen. Marx zou de opvattingen uit zijn 'ondergrondse' periode later afdoen als een 'Berliner Lokalresultat'. Niets meer en niets minder. De hypothese dat het marxisme vooral een poging was de sociale mobiliteit van economisch gedeklasseerden te bevorderen klinkt nog altijd fris in de oren. Immers, Stirner wees iedere vorm van ressentiment radicaal van de hand waardoor hij behoorlijk in de psyche van zijn collegae wroette.
De beruchte filosofie van dit Berlijnse egoïsme kreeg vorm in Der Einzige und sein Eigentum, een boek dat Stirner in 1844 publiceerde. Het werk is niet zozeer een uiteenzetting van het denken van Johann Caspar Schmidt - de ware naam van Stirner - maar juist een weergave van de vele discussies die de Berlijnse Vrijen in hun 'Sturm und Drang'-periode hielden. De toon van het werk is fel, ongearticuleerd, radicaal en heerlijk polemisch. Toch waren heel wat Vrijen al ver verwijderd van het absolute idealisme dat Stirner verdedigde. Marx en Engels bijvoorbeeld helden steeds meer over tot een materialistische levensbeschouwing en namen afstand van hun 'wilde razen' van weleer. De ongemeen felle kritiek van hun hand op Stirner doet opnieuw vermoeden dat het hier allereerst om een persoonlijke afrekening met jeugdfrustraties gaat.
Maar toch, Stirners werk bleef een welkome handleiding voor het mondige individu dat als een Don Quichote zijn wapens opnam tegen de windmolens van het Spektakel. Stirner werd een metafoor voor de rebellerende Vrije Mens, of de Hogere Mens. Ook Nietzsches Übermensch kan nauwelijks zonder Stirner begrepen worden. Voor menig anarchist stond Stirner model voor het prototype mens dat bij uitstek geschikt zou zijn voor de anarchie. Toch, slechts weinigen lazen hem. En hoe rationeel zijn werk ook geschreven is, Stirner is en blijft een mysticus, een Zarathoestra, een eenzame opstandeling die de mensen aanspoort hun ketenen te verbreken. Zijn wereldbeeld is statisch en beslist niet dynamisch. Hij gelooft in Waarheid en in de Vrije Mens; hij verwerpt het weten en propageert het begrijpen; en verheerlijkt zijn Wil om het determinisme te compenseren.
Het werk van Stirner is een romantisch werk waarin 'the quest for natural man' centraal staat: een gedachte die de anarchisten sinds het fin-de-siècle met hem deelden. De achterliggende gedachte is dat diep in ons zelf onze eigen Ik verborgen ligt, onze natuurlijke of authentieke oer-Ik, die door het christendom en de politieke ideologieën verkracht en verdrongen is (een gedachte die vandaag nog altijd onder vrijdenkers leeft). Slechts de krachtige Wil is in staat het Ik uit zijn slop halen. Vandaag de dag denken we echter beter te weten: er is wellicht geen 'natuurlijke' of 'oorspronkelijke' Ik. En wat is eigenlijk identiteit? Is dat geen achterwaartse reis langs plaatsen waar we al geweest zijn? Is de idee van de universele moraal wel houdbaar? Is de gedachte van een 'natuurlijke orde' eigenlijk geen romantische illusie? Is 'De Mens' geen fictieve constructie? Is het anarchisme eigenlijk geen 'quest for natural society' en dus een gepasseerd station? Gelukkig is het niet aan mij om antwoorden op deze heikele vragen te formuleren. Toch zou het te ver gaan Stirners werk als onbenullig romantisch en achterhaald te beschouwen. Boeiende auteurs als Jean Marie Guyau, Friedrich Nietzsche, Eduard von Hartmann, Benjamin Tucker, Albert Libertad, Han Ryner, Emile Armand, Edmund Husserl, Raoul Vaneigem, Jurgen Habermas, Bob Black en Hakim Bey ondergingen allen voor kortere of langere tijd zijn invloed.
Het is daarom een goede zaak dat de Rotterdamse uitgeverij Cagliostro opnieuw een werkje van Stirner het licht heeft laten zien. Uitgever Theo Spaan - een overtuigde stirneriaan - brengt al jaren de vertaling De Eenige en zijn Eigendom in een reprint op de markt en kwam onlangs met Het leugenachtige princiep onzer opvoeding of 't Humanisme en Realisme waaraan ik bovenstaande citaten ontleende. Dit artikel werd in 1842 in Duitsland gepubliceerd en in 1907 vertaald door de Vlaamse Zeeuw Jaak Lansen. De vertaling is weliswaar beroerd maar voor velen zal het de eerste maal zijn dat we een Nederlandstalige tekst van een onbekend Stirner-artikel voorgeschoteld krijgen. In dit 25 pagina's tellende werkje kritiseert Stirner op zijn bekende wijze 'humanistische' en 'realistische' onderwijskundigen en pedagogen die er maar niet in slagen vrije persoonlijkheden te kweken. Voor lezers met enige historische belangstelling is dit boekje een aardige aanvulling voor de boekenkast. Boekenwurmen die niet eerder met Stirner in aanraking kwamen kunnen beter diens Eenige aanschaffen dat nog altijd bij dezelfde uitgever verkrijgbaar is.
* Max Stirner, Het leugenachtig princiep onzer opvoeding of 't Humanisme en
Realisme, Cagliostro, Postbus 3210, 3003 AE Rotterdam, 1993 (oorspronkelijk
verschenen in Die Rheinische Zeitung van 10-12-14-19 april 1842 en in 1907
vertaald en uitgegeven door Jaak Lansen). 28 p., fl. 10,-.
* Max Stirner, De Eenige en z'n Eigendom, Cagliostro Rotterdam 1988, (vertaling
van Jaak Lansen, Antwerpen 1906), 175 p., fl. 30,-.
* Bernd A. Laska, Der Schwierige Stirner, in: Wolfgang Beyer (red.), Anarchisten.
Zur Aktualitat anarchistischer Klassiker, Oppo Verlag Berlin, 1993. Te bestellen
via KMK/A-versie, postbus 61523, 2506 AM Den Haag.
| siebe (dot) thissen (at) planet (dot) nl | - | - | - |