| Name | Last Modified | Size | Description |
| Parent Directory | - | - | - |
| Get Adobe Acrobat Reader | - | - | You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download. |
| 1998 Bonte stoet van rovers.pdf | 02.02.2004 | 53kB | - |
EEN BONTE STOET VAN ROVERS
Het onlangs verschenen Oorlog in de stad, een studie van Amsterdam in de jaren 1939-1941, veroorzaakte enige opschudding onder historici van de Tweede Wereldoorlog. En terecht. Want Friso Roest en Jos Scheren onderwerpen de bestaande geschiedschrijving aan een kruisverhoor. Daarbij prikken zij concepten als 'de oorlog', 'vaderland', 'bezetting', 'de Duitsers', 'de communisten' en 'de joden' door als ideologische constructies. Drie specifieke gebeurtenissen komen daardoor in een ander daglicht te staan: de Februaristaking, de oprichting van De Joodse Raad, en het ontstaan van het Jodengetto. Opgegroeid in de woelige jaren zeventig en tachtig blijken zij bovendien gefascineerd door momenten waarop de openbare orde niet langer te handhaven valt. In de pers werd het boek al 'een krakersvisie op de oorlog' genoemd.
Roest & Scheren ontpoppen zich in Oorlog in de stad als 'datadandies'
- om eens een begrip van Bilwet te lenen. Ze dompelen de lezer onder in een
enorme hoeveelheid data in een poging het alledaagse leven in Amsterdam te
reconstrueren. Per hoofdstuk kiezen ze voor een ander perspectief: het perspectief
van het gemeentebestuur, van de Duitse bezetter, van de Nederlandse fascisten,
van de CPN, van de joden, enzovoorts. Maar die keuze kent een keerzijde: het
boek heeft een grillige, chaotische structuur, en de lezer wordt geteisterd
door talloze overlappingen en herhalingen. Maar is dat nu zo erg? In het geval
van Oorlog in de stad ondersteunt de chaotische structuur de chaos van het
eerste oorlogsjaar. Want wat betekent een oorlog in de stad eigenlijk?
Op 29 juni 1940 - op 'Anjerdag', breken rellen uit en wordt duidelijk dat de
Amsterdamse politie haar geweldsmonopolie volledig kwijt is.
Verschillende groepen pogen de macht op straat naar zich toe te trekken: uiteraard de gemeente en de politie, maar ook de Duitse bezetter en haar eigen politieapparaat, en dan zijn daar de Amsterdamse nationaal-socialisten nog, de altijd ontevreden en onstuimige werkverschaffingarbeiders, en ten slotte de communisten van de CPN. Al deze groepen doen hun uiterste best een openbare orde vorm te geven, stellen zich daarbij wisselend pro of anti-Duits op, vormen bondgenootschappen met tegenstanders en verbreken die contacten weer even gemakkelijk als de eigen positie in het gedrang komt. Daarbij opereren de verschillende groepen zo onvoorspelbaar en zo oncontroleerbaar dat van een duidelijk patroon nauwelijks sprake is. Daarom stellen Roest & Scheren beslist: "In Oorlog in de stad wordt niemand van de betrokken partijen op zijn woord geloofd, de Amsterdamse politieleiding niet, die zegt op straat alles onder controle te hebben, de Nederlandse bestuurders niet, die maar blijven benadrukken dat alles zijn oude gang gaat, [de nazi's] Bohmcker en Schmidt niet, die tegenover hun meerderen grote slagvaardigheid suggereren, en ook de CPN niet".
Omdat Roest & Scheren niemand op voorhand geloven werken ze enkele casestudies nader uit. Alhoewel de meeste aandacht uitgaat naar drie specifieke gebeurtenissen (de Februaristaking, de oprichting van een Joodse Raad en de vorming van het joodse getto) slopen ze onderweg nog tal van vooroordelen. Op overtuigende wijze schilderen de auteurs de impotentie van de Duitse bezetter: hoe blunder volgt op blunder, hoe misverstanden tot protocollen worden, hoe paranoia, machtswellust en twijfelzucht de bureaucratische chaos vergroten. Van de opvatting dat het Derde Rijk Nederland binnen reed met een geoliede bureaucratische, administratieve en economische machine blijft niets overeind. De Duitsers voerden een permanent ad-hoc-beleid, improviseerden dat het een lieve lust was, en waren noodgedwongen coöperatief en vindingrijk - niet de letter van de wet, maar de geest der wet stond voor de nazi's voorop.
Dan de Amsterdamse gemeente. Roest & Scheren laten zien dat dit bedrijf al in de jaren dertig in ernstige problemen verkeerde: men werkte in een verouderde bureaucratie, de lonen waren steeds lager geworden, er was sprake van een personeelstekort, veel onbetaald overwerk, een voortdurende financiële druk door een toenemend aantal steuntrekkers, grote sociale spanningen tussen de chefs en het lagere personeel, enzovoorts. Deze facetten hadden van de gemeente een noodlijdend bedrijf gemaakt dat vooral met zichzelf bezig was. De komst van de Duitsers veranderde daar niet bijster veel aan. De gemeente zag zich na een eerste schok - zullen de Duitsers Amsterdam overnemen? - opgezadeld met een uitbreiding van haar takenpakket. De Duitse inkwartiering en leveranties aan de Wehrmacht moesten immers ook door haar worden georganiseerd.
De eerste polemiek met geschiedschrijvers is er een met Ben Sijes, auteur
van het klassieke boek over de Februaristaking van 1941. Volgens Sijes werd
de befaamde staking georganiseerd door de CPN die zich opwierp als het centrum
van agitatie tegen de Duitsers. De auteurs van Oorlog in de stad laten echter
zien dat grote groepen arbeiders - vooral zij die heen-en-weer pendelden tussen
Amsterdam en projecten in de werkverschaffing - een permanente bron van onrust
vormden. De CPN had daar nauwelijks greep op, maar ook de Duitse instanties
niet. Sterker nog, om opstanden te voorkomen speelde het Duitse Arbeitsfront
een belangrijke rol in de verbetering van de economische situatie van deze
arbeiders - een gegeven dat Sijes weigerde onder ogen te zien.
Tot de staking van 1941 hadden de communisten niet een vijand, maar meerdere
concurrenten en tegenstanders. Om de specifieke arbeidersstrijd overeind te
houden wilden de communisten niet al te anti-Duits optreden. Aan alle groepen
- de NSB, de vakbeweging NVV, de Duitse en de Nederlandse instanties - wilde
men laten zien dat de CPN autonoom was. Maar hoever ging die autonomie? Was
de Februaristaking nu een georganiseerde bedrijvenstaking of een spontane street-rave?
Roest & Scheren: "De CPN kon haar autonomie handhaven mede dankzij
de strategisch bepaalde toegeeflijkheid van de Duitse instanties, eerst tegenover
de werkverschaffingarbeiders, en later in 1941 tegenover de stakende metaalarbeiders
van Amsterdam-Noord. Daarbij kwam nog dat de CPN de staking wilde organiseren
als een bedrijvenstaking, terwijl het uiteindelijk een reeks van straatgebeurtenissen
werd met demonstraties, vechtpartijen en ernstige ongeregeldheden".
Noch aan het begin van de staking, noch aan het einde, bleek de invloed van de CPN op de arbeiders erg groot. De communist Dirk Brandsen, die vasthield aan klassenstrijd en de idee van een bedrijvenstaking, mopperde erover dat het hele gebeuren 'een geweldige rotzooi' was omdat alles anders uitpakte dan de CPN had verwacht. Niet alleen begon de staking een dag eerder dan de CPN had gepland, tevens triggerde die staking rellen en straatgevechten waarover de partij - "toch al behept met straatangst" - al direct de controle verloor. Allerlei groepen arbeiders en instanties hadden hun eigen redenen om al dan niet in verzet te gaan. Ze hadden hun eigen belangen, soms met elkaar, maar vaker tegen elkaar. Roest & Scheren kritiseren Sijes dat hij de tegenstellingen te simpel heeft gemaakt: Nederlandse arbeiders, solidair met de getroffen joden, tegenover de Duitse bezetter.
Een tweede polemiek richt zich tegen de geschiedschrijving van De Joodse Raad, een comité‚ dat tijdens de oorlog de joodse gemeenschap zou vertegenwoordigen. Om de rust te doen terugkeren in de al zo geteisterde jodenbuurt eisten Duitse ambtenaren een aanspreekpunt, zo gaat het traditionele verhaal. Roest & Scheren laten echter zien dat de Sicherheits Polizei zo'n raad nooit heeft geëist en dat wat later 'De Joodse Raad' is gaan heten het resultaat was van allerlei vertakkingen, omwegen en aanpassingen. Achter de oprichting ging een heel proces schuil. Soms werd het aanspreekpunt een 'Commissie van Vertegenwoordiging voor de Amsterdamse Joden' genoemd, dan weer een 'Commissie terzake van Joodse aangelegenheden', en vervolgens 'Joodse Raad voor Amsterdam'. Het idee van 'De Joodse Raad' werd achteraf geconstrueerd - opnieuw een versimpeling van de feiten waarbij meer eenheid en chronologie wordt gesuggereerd dan er in werkelijkheid bestond.
Dit blijkt eveneens het geval bij de afsluiting van de jodenbuurt en de vorming van het getto. De nazi's Bohmcker en Schmidt - Hitler's stromannen in Amsterdam, zouden de vorming van het getto hebben gewild. Roest & Scheren ontkennen dit scenario: de vorming van een getto is nooit serieus overwogen. Bohmker wist niet eens hoeveel joden er in de Jodenbuurt woonden, realiseerde zich dat er ook veel 'Ariërs' woonden, en schafte zelfs de gettopasjes voor joden af. Er kwamen weliswaar bordjes te hangen met 'Jodenbuurt' of 'Jodenstraat', maar dit gegeven kwam niet overeen met de feitelijke situatie.
Goed, velen zullen de hyperkritische houding van Roest & Scheren afdoen als muggenzifterij. Toch verdienen ze respect voor de wijze waarop een van de belangrijkste en meest afgrijselijke gebeurtenissen van onze eeuw - de Tweede Wereldoorlog en de holocaust - aan een nieuw onderzoek wordt onderworpen. In Oorlog in de stad tonen ze dat 'oorlog' een paraplu is waaronder zich een groot aantal tegenstrijdige gebeurtenissen heeft genesteld. Vanuit de kritiek op de bestaande geschiedschrijving hebben zij zich teruggetrokken in bronnen en documenten en bevragen zij hun status: "Wie heeft het geschreven, aan wie is het geadresseerd, gaat het om een brief, een rapport of om een verweerschrift? Uit welk archief is het document afkomstig, zijn er duplicaten in andere archieven, op welke wijze is het document ingeschreven en welke ambtelijke weg heeft het afgelegd? Om wat voor tekst gaat het, wat voor soort taalgebruik? Welk machtsspel wordt met woorden bedreven, wie speelt voor Humpty Dumpty, de baas van de betekenissen?". Het zijn vragen die iedere historicus voor zijn rekening dient te nemen, maar Roest & Scheren laten fijntjes zien hoe Lou de Jong com suis er een wel erg eenvoudige voorstelling van zaken op nahouden: De Duitse Bezetter Versus Het Nederlandse Volk. Oorlog in de stad geeft echter een chaotisch beeld van een chaotische stad waarin 'een bonte stoet van rovers' plunderend en agressief door de straten trekt. Het is daarmee een van de eerste Nederlandse boeken waarin je werkelijk ervaart wat een 'oorlog' is.
Helaas gebruiken de auteurs een ongelukkige metafoor om die chaos te beschrijven. Ze vatten documenten op als 'stukjes van een puzzel' en hun onderzoek betreft een poging die puzzels op te lossen. Een puzzel echter, na het leggen van alle stukjes, impliceert uiteindelijk een afgerond beeld. En juist dat beeld wil mij maar niet voor ogen komen. Oorlog in de stad is voor mij eerder een beeldenstorm, een mozaïek, een collage die er ook anders had kunnen uitzien. Roest & Scheren hebben zoveel bronnen naar voren gebracht dat het jammer is dat ze die rijkdom hebben opgeofferd aan polemieken met Sijes, Herzberg, Presser en De Jong. Bovendien maken de auteurs nauwelijks gebruik van secundaire literatuur, dus waarom toch die polemiek? Wreekt zich hier een dwingende eis van het promoveren?
Ook had ik meer willen weten over de fascisten in het slachtbedrijf - uit de antropologie weten we immers dat vleesvoorzieners vaker een rol speelden in rellen en straatgeweld (denk onder meer aan de Bokkerijders en de Boekaniers). En indien straatgeweld en openbare orde zo centraal staan in een studie, waarom wordt dan niet aangeknoopt bij het onderzoek naar charivari's (volksgerichten)? Liever had ik wat kruisbestuivingen gezien met andere disciplines, zoals de antropologie, de sociografie of de sociale psychologie.
Anderzijds moet ik niet zeuren, want ik las het boek in een adem uit. Oorlog in de stad is een duizelingwekkende trip door een chaotisch Amsterdam in de jaren 1939-1941. Je leert in ieder geval in welke mate historici en stadsbestuurders baat lijken te hebben bij simpele voorstellingen van zaken: "Hebben ze soms vrede met de oorlog?", vragen de auteurs zich ten slotte terecht af. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat Roest & Scheren zelf soms ook ten onder gaan in de draaikolk van data die ze zelf hebben gecreëerd. Als voormalig kraker heb ik weliswaar moeten glimlachen om hun kritische beoordeling van de CPN, de politie en het stadsbestuur, maar anderzijds had ik wel wat conclusies verwacht die verder reiken dan een demystificatie van de bestaande historiografie. Daar tegenover staan echter unieke monografieën, zoals het tragische einde van de joodse kleinhandel en de dagen rondom de Februaristaking van 1941 - wat mij betreft de hoogtepunten van het boek. Oorlog in de stad is een boek dat geschreven moest worden en wellicht een toon heeft gezet voor nieuw onderzoek en nieuwe accenten.
Friso Roest en Jos Scheren, Oorlog in de stad. Amsterdam 1939-1941. Van Gennep Amsterdam, 1998. 550 pagina's en veel illustraties. Prijs: fl. 49,90.
| siebe (dot) thissen (at) planet (dot) nl | - | - | - |