| Name | Last Modified | Size | Description |
| Parent Directory | - | - | - |
| Get Adobe Acrobat Reader | - | - | You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download. |
| 2002 Schrijven als stervensbegeleiding.pdf | 04.02.2004 | 64kB | - |
SCHRIJVEN ALS STERVENSBEGELEIDING
Als vrijdenker van het eerste uur behoort de anarchist van de negentiende eeuw tot de eerste generatie wereldburgers, die voortaan weigerde zich op God te verlaten. Goed, sinds onze kennis van Spinoza en de radicale verlichting van de zeventiende en achttiende eeuw is toegenomen, weten we dat er al eerder atheïsten rondliepen, maar als maatschappelijk verschijnsel brak het atheïsme eerst in de negentiende eeuw door. De anarchist beschouwde de dood niet langer als een noodwendig en gelukzalig voorportaal naar het Christelijke Paradijs, maar leerde haar waarderen als een onlosmakelijk bestanddeel van het ‘hiernumaals’. Voor de dood diende geen angst te bestaan, want zo’n angst zou ook de levenszin verlammen. “Die de dood niet vreest, vreest niets”, luidde een aan Montaigne ontleende slogan, die her en der in seculiere periodieken opdook.
Die nieuwe omgang met de dood leidde tot tal van experimenten, zoals de zelfgekozen dood, spiritistische contacten met overleden familieleden, vrienden en inspiratoren, tot ‘lijkverassching’ in plaats van begrafenissen, maar ook tot nieuwe opvattingen over onsterfelijkheid, nu vanuit een seculier perspectief. In zijn Memoires van een revolutionair (1899) herdacht Kropotkin het overlijden van zijn moeder en gaf hij zich rekenschap van het feit dat troost en liefde niet langer op christelijke grondslagen rustten. Doodgaan behoorde nu eenmaal tot het leven, en uit de dood van een dierbaar mens kon men inspiratie putten voor het eigen leven: “De mens verlangt er hartstochtelijk naar om na zijn dood nog voort te leven, maar dikwijls gaat hij heen zonder te zien dat de nagedachtenis van een werkelijk goed mens altijd levend blijft. Zij wordt meegegeven aan de volgende generatie, die haar op haar beurt weer aan haar kinderen doorgeeft. Is dat geen onsterfelijkheid die de moeite waard is om na te streven?”
Die nieuwe interesse in de dood maakte van de anarchist een stervensbegeleider – alleen vergelijkbaar met de ‘AIDS-buddy’. Onbaatzuchtig en toegewijd aan het begeleiden van een langzaam stervende soortgenoot, richt de ‘AIDS-buddy’ zijn leven in hulpverlener, vriend en klankbord. Deze even opmerkelijke als intrigerende levenspraktijk kent geen eenduidig motief, maar het bestaan van de ‘buddy’ vooronderstelt een diepgeworteld besef van hoop, liefde, mededogen, medemenselijkheid en kameraadschap. Bovendien ligt er na het voleindigen van de taak geen beloning in het verschiet en blijft de ‘buddy’ verstoken van de zekerheid dat zijn bijdrage een rol van betekenis speelt in de totstandkoming van een AIDS-vrije wereld.
Voor de anarchistische schrijver en de schrijvende anarchist is de ‘buddy’ zowel voorbeeld als inspiratiebron. In de ‘buddy’ herkent hij zijn drijfveren, zijn liefde voor het leven, zijn begrip voor de dood en zijn ongewisheid over een mogelijke libertaire toekomst. “Het is niet de dood, maar het leven dat ons beangstigt”, schreef Anton Constandse. “Soms is de wereld heerlijk om te zien, soms ook verschrikkelijk om te beleven. En als de dood ons iets kan leren, dan is het dat het leven te kort is om het in leed, ellende en wreedheid te verspelen”. Zoals de ‘buddy’ zijn best doet niet ontmoedigd te raken, zo probeert ook de anarchist zijn levenslust te handhaven. “Of ik niet ontmoedigd ben?”, vroeg Arthur Lehning zich regelmatig af. “Omdat onze denkbeelden niet gerealiseerd zijn, daarom zijn ze nog niet begraven. Utopieen zijn slechts schijndood en komen steeds onverwacht opnieuw tot leven. Ik ben wel pessimistisch, maar niet ontmoedigd”.
Het anarchistische discours is doorweekt met metaforen van leven en dood, van opgroeien en sterven, van tot leven wekken en begraven. Dat kan ook moeilijk anders, want de anarchist blijft voor alles een stervensbegeleider: hij beschrijft en analyseert de terminale situatie waarin de samenleving zich bevindt, maar weigert zich hooghartig van haar af te keren. Uit oprechte levenszin verklaart hij zich solidair met hen die in hun bestaan worden bedreigd en blijft hij geloven in een levensvervulling waarin “leed, ellende en wreedheid” tot een absoluut minimum zijn teruggedrongen. Het liefst spreekt hij over mensen als ‘stervelingen’ en mijmert hij over de ‘geboorte’ van een nieuwe samenleving.
Zonder de dood zou het anarchisme niet bestaan. De zwarte vlag is de vlag van de dood – de vlag die in de achttiende en negentiende eeuw de doodskisten sierde van de arme stakkers die stierven door knechting en ondervoeding, aan tering en cholera. De zwarte vlag is vlag van het piratenschip, dat zich voor iedere nieuwe entering opmaakte voor de victorie of de dood. “Wie heeft geleerd te sterven, heeft afgeleerd om dienstbaar te zijn”, luidt een van de meest populaire slogans uit de geschiedenis van de anarchistische pers. En wat dacht je van deze: “Het is beter staande te sterven, dan knielend te leven”.
Talrijk zijn de titels van de anarchistische literatuur, waarin de dood het referentiepunt vormt. Zoals de klassieker De Stervende Maatschappij, geschreven door de Franse anarchist Jean Grave, ooit in het Nederlands uitgegeven door ‘De Roode Bibliotheek’: “Voor men de [anarchistische] tocht aanvangt, moet men zijn wil en spieren raadplegen, want er zullen slachtoffers zijn, die de oneffenheden met bloed bevlekken, en lijken zullen op de bochten van den weg een spoor van pleisterplaatsen achterlaten. Wie geen kracht bezit blijve liever achterwege, want hij zal slechts een belemmering zijn voor het leger.” De anarchist spreekt hier als martelaar: hij bereidt zich voor op een sterven voor ‘de goede zaak’ in de dramatische wetenschap dat de Heilstaat nadert.
Die anarchistische fakkel werd in de loop van de twintigste eeuw overgenomen door een nieuwe generatie militanten – dit keer van religieuze snit. Niet alleen zien hun baarden er even verzorgd uit als die van Bakoenin en Domela Nieuwenhuis, ook hun retoriek herinnert aan de hoogtijdagen van ‘bomslingeraars’ als Emile Henry en Piet Kooijman. Het merendeel van de seculiere anarchistische schrijvers heeft de baard en de martelaarsretoriek vandaag weliswaar afgezworen, maar stervensbegeleiding bepaalt nog steeds het repertoire. Wie de vele jaargangen van De As doorbladert, bespeurt een gestage stroom van kritische en soms pessimistische analyses van politieke en maatschappelijke ontwikkelingen in een ‘stervende’ samenleving. Pessimisme en optimisme lossen elkaar in die beschrijvingen af: de anarchist blijft pessimistisch ten opzichte van een maatschappij die met uitsterven bedreigd wordt, maar hij wil ook optimistisch zijn en handreikingen bieden aan de levenslustigen die geloven dat het ook anders kan. Net als Arthur Lehning troost hij zich in de tussentijd met de woorden: “Wat men niet kan veranderen, moet men althans beschrijven”. Sinds Kropotkin aan het einde van de negentiende eeuw zijn Memoires schreef, heeft de wereld een enorme gedaantewisseling ondergaan. Maar de anarchist is altijd een stervensbegeleider gebleven.
| siebe (dot) thissen (at) planet (dot) nl | - | - | - |