Index of /Marginalia/2004 Waarom de Pauluskerk

  Name   Last Modified Size Description

Parent Directory   - - -
Get Adobe Acrobat Reader   - - You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download.
2004 Waarom de Pauluskerk.pdf   19.10.2004 58kB -

2004

WAAROM DE PAULUSKERK ?

‘Hoe zou je ideale Rotterdam eruit zien?’, zo luidt het onderwerp dat de Pauluskerk vandaag centraal stelt. Ideaal is een beladen begrip. Eigenlijk betekent het dat je iets voorstelt als idee – letterlijk is het een droombeeld. Het ideale Rotterdam is dan het Rotterdam zoals dat aan je verschijnt in je dromen. Rotterdam als nergensland, als Michael Jackson’s Neverland of als de gangbare, literaire vertaling van utopia: Nowhere. In een essay over utopisme wees een attente filosoof ons ooit op de dubbelzinnigheid van het begrip no-where: door de klemtoon te veranderen lezen we plotseling now-here – nu en hier. Het ideale Rotterdam ligt dan ineens veel dichter bij huis en het is dit Rotterdam waaraan ik enkele historische en actuele gedachten zou willen wijden. Dat lijkt me ook zinvol, want het huidige tijdsgewricht vraagt zoveel toewijding, aandacht en discussie, dat een mijmeren over droombeelden maar even opzij moet worden geschoven.

Zo is het bijzonder Rotterdams om in de Pauluskerk een symposium te houden over de huidige staat van Rotterdam. Sinds jaar en dag staat de Pauluskerk in binnen en buitenland model voor de wijze waarop de Nederlandse samenleving zelfstandig anticipeert op de problemen die samenhangen met drugsoverlast, thuisloosheid, prostitutie en andere grootstedelijke levenspraktijken. In 2001, toen Rotterdam zich Culturele Hoofdstad mocht noemen, organiseerde het Centrum Beeldende Kunst in samenwerking met de Erasmus Universiteit een internationaal symposium over het ontwerpen en inrichten van de openbare ruimte. Als locatie kozen we voor de Pauluskerk, want we wisten geen betere Rotterdamse plek: de kerk heeft een internationale reputatie en uitstraling, bevindt zich in het hart van de culturele as, en wordt geleid door een eigenzinnige predikant die als wetenschapper is gepromoveerd op het werk van Manuel Castells. Onze gasten - Olu Oguibe, Sadie Plant en Paul Miller alias DJ Spooky - waren vereerd met hun optreden in de Pauluskerk en leken net zoveel oog te hebben voor deze unieke locatie als voor het symposium.

Ook vorig jaar werkte het Centrum Beeldende Kunst eendrachtig samen met de Pauluskerk en Via Kunst in het kader van de architectuurbiënnale. Met hun project ‘zwerfarchitectuur’ – een tentoonstelling van Curaçaose slavenhuisjes, opgesteld vlak naast het Nederlands Architectuur Instituut – creëerden Ruben La Cruz en Karolien Helweg een van de meest succesvolle onderdelen van de biënnale. Dakloze kunstenaars bewoonden de huisjes twee weken lang en verkochten hun werk aan passanten. Na afloop werd het project overgenomen door de Parade en zwierf deze architectuur letterlijk verder door het land. En ook vandaag neemt de Pauluskerk de kunst serieus, getuige de opening van een foto-expositie over het getergde leven van vluchtelingen in hedendaags Georgië.

Maar er zijn meer redenen waarom een maatschappelijk debat in de Pauluskerk Rotterdams moet worden genoemd. Kerken en religies, maar ook hun bestrijders, hebben in de geschiedenis van Rotterdam een belangrijke rol gespeeld in de publieke opinie. Tussen 1875 en 1920 ontworstelde Rotterdam zich aan de status van provinciestadje. Dankzij een enorme migratiestroom verdubbelde de bevolking van de Maasstad zich in deze periode drie maal achtereen, om zich met heftige groeistuipen en geweldige sociale spanningen op te stuwen naar een grootstedelijke samenleving en cultuur van betekenis. Aan dat proces is nog steeds geen einde gekomen en tot op heden is Rotterdam de jongste stad van Nederland - niet alleen in letterlijke zin, maar ook indien we kijken naar de leeftijdsopbouw van de bevolking. Nergens wonen meer kinderen en jongeren dan in Rotterdam, vergrijzing speelt hier nauwelijks een rol, en zonder overdrijven kunnen we stellen dat Rotterdam daadwerkelijk de toekomst heeft.

In het reflecteren op dat wordingsproces speelden de voorgangers van de Pauluskerk een cruciale rol. Reeds in de negentiende eeuw deed de Lutherse predikant Willem Meng in radicaliteit en wetenschappelijke bagage niet onder voor Hans Visser. In 1875 was hij dominee geworden van de kerk aan de Mannenlaan, alwaar hij zijn gehoor bestookte met radicale filosofische teksten en de gelovigen opriep zich niet te bekennen tot een droomwerkelijkheid waarin alle heil van God moet worden verwacht. Bij burgerzaken van de gemeente Rotterdam had hij zich ingeschreven met de woorden: “Beroep: predikant. Geloof: geen”. Zijn wekelijks preken, geladen met maatschappijkritiek en wijsgerige uitstapjes, waren bijzonder succesvol en werden steeds drukker bezocht. De dominee werd een spreekbuis voor arme arbeiders, werklozen en andere gemarginaliseerde groepen. Het kerkbestuur reageerde geschokt op Mengs furore in Rotterdam en weigerde hem uiteindelijk de toegang. Meng week daarop uit naar het gebouw Verscheidenheid & Overeenstemming aan de Scheepmakershaven en continueerde daar zijn wekelijkse performances, die duizenden mensen lokten. De zaal zat steeds zo bomvol, dat ook buiten mensen bijeendromden en driftig discussieerden over hun wel en wee in Rotterdam. Meng werd uiteindelijk het slachtoffer van een samenzwering: hij en zijn familie werden geterroriseerd, met de dood bedreigd (“We snijden je aan repen!”, tekende een lokale krant op) en in 1889 zag Meng zich genoodzaakt Rotterdam hals over kop te verlaten. Over demonisering gesproken…

Iets verderop, aan de andere Maasoever, baarde een katholieke priester wellicht evenveel opzien. In hetzelfde jaar dat Meng zijn Rotterdamse loopbaan begon, was pastoor Ludo Gompertz aangesteld als zielzorger van de katholieken op Zuid. Gompertz had in de Amsterdamse binnenstad al gewerkt met zwervers, alcoholisten en hoertjes en schrok ook in Feijenoord van de situatie die hij aantrof. Het regime van Lodewijk Pincoffs – een klassiek voorbeeld van een ‘Manchester kapitalisme’ zonder sociale vangnetten - had geresulteerd in een schrijnend gebrek aan huisvesting, armoede, ondervoeding, gruwelijke arbeidsomstandigheden en een hoog misdaadcijfer. Gompertz diende zich met een revolver te bewapenen om zich staande te houden op Zuid. Hij hield zijn rug echter recht en deinsde niet terug voor de harde werkelijkheid van alledag. Dankzij zijn inspanningen kreeg Rotterdam oog voor woningnood en de alledaagse verschrikkingen van de exploitatie van Zuid. Zijn notities, werkbezoeken en brieven aan de Tweede Kamer zorgden er mede voor dat er een landelijke parlementaire enquêtecommissie naar arbeidsomstandigheden in Nederland werd ingesteld, waar Gompertz als getuige-deskundige werd gehoord. In 1890 overleed hij. Een lange stoet vergezelde hem op weg naar de katholieke begraafplaats van Crooswijk.

U denkt wellicht, waarom deze anekdotes? Omdat ze aantonen dat ook religieuze groeperingen en activisten een wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan de volwassenwording van de Rotterdamse cultuur. Onder het huidige Rotterdamse gemeentebestuur wordt in de weerstand tegen een nieuwe migrantenstroom, vooral van islamitische snit, graag gewezen op het seculiere karakter van Rotterdam dat vooral niet mag worden aangetast. Tijdens een interview met een landelijk radiostation vergeleek een Rotterdamse wethouder deze week moslims met conservatieve katholieken uit het Rotterdam van weleer. Er is in het huidige politieke discours maar weinig ruimte voor nuances, maar bovenstaande voorbeelden laten een heel wat gedifferentieerder beeld van de religieuze werkelijkheid in het oude Rotterdam zien. Anderzijds hoeven we nu ook weer niet wakker te liggen van een scherp debat over de rol van religie in de hedendaagse samenleving. Rotterdam heeft al veel vaker met dat bijltje gehakt.

Want religiekritiek ligt evenzeer in de Rotterdamse mentaal-culturele traditie besloten. Rotterdam is nooit volledig seculier geweest (sterker nog: ze beschikte over de meest religieuze grootstedelijke cultuur in Nederland vanwege de permanente aanwas van religieuze migranten) en Rotterdam is nooit volledig kerkelijk geweest (daarvoor waren de antiklerikale stromingen in het stadsbestuur te sterk). Cruciaal voor Rotterdam en de Rotterdamse cultuur bleek de spanning tussen beide. Omdat zich nergens in Nederland meer religieuze groepen, sektes en genootschappen vestigden, kon ook de oppositie serieuze vormen aannemen.

Dat gebeurde al aan het einde van de negentiende eeuw, toen antiklerikale groepen waarschuwden tegen de toename van gelovige migranten in Rotterdam. In de Kralingse Lambertusstraat werd het destijds populaire tijdschrift ‘Anarchist’ uitgegeven, gemaakt door aanhangers van Willem Meng, zoals de gemeenteambtenaar en Spinoza-aanhanger Bernard Damme en de mondige schoenmaker Hendrik Bloppoel. De ondertitel van het blad luidde: ‘Orgaan voor havelozen, godlozen en regeringlozen’. Volgens een studie naar het blad werden met de havelozen Amsterdammers aangeduid; de regeringlozen bevonden zich in Den Haag; en met godlozen werden de Rotterdammers aangeduid. Weerstand tegen kerk en godsdienst was dus een belangrijk aspect van de vroege arbeidersbeweging in Rotterdam.

Dat verzet groeide naarmate er ook meer kerken werden gesticht, die vaak, net als nu, fanatieke gedaantes aannamen. “Opvallend sterk was de sectegeest”, schrijven Bouman & Bouman in hun beroemde boek ‘De groei van de grote werkstad’ (1952). “Het behoort tot de kenmerken van een beweeglijke bevolking, dat zij bij het prijsgeven van traditioneel kerkverband gemakkelijk tot emotionele groepsvorming komt”. Is dat nu eigenlijk anders? Die emotionele groepsvorming leidde in het interbellum tot vormen van fundamentalisme in beide kampen: voorstanders en tegenstanders van God bestreden elkaar te vuur en te zwaard en legden daarmee de basis van een debatcultuur die tot op heden niet werd geëvenaard. We mogen slechts hopen dat het onlangs door het gemeentebestuur aangekondigde maatschappelijke debat over de islam wat betreft intensiteit en beleving parallellen zal vertonen met de eerdere discussie over de rol van God in Rotterdam.

In het Rotterdam van die dagen vond dat debat overal plaats. Het was vooral vrijdenkersvereniging De Dageraad die hierin het voortouw nam. Zo verspreidden ze huis aan huis formulieren, waarmee burgers zich uit hun kerkgenootschap konden laten schrijven. Op de markt stond iedere week een grote tent waar van gedachten kon worden gewisseld, op het Noordplein kon men op sinaasappelkistjes plaatsnemen en op zondagen waren vele zalen uitverkocht. De grootste debatten vonden plaats in bioscoop Scala en in de Oude Doelen aan de Coolsingel, waar predikanten discussieerden met atheïsten. De zalen zaten alle stampvol en een enthousiast publiek schreeuwde haar goedkeuring of afkeuring uit. De spelregels waren doorgaans simpel: de voorstander en tegenstander spraken ieder eerst drie kwartier, daarna beiden nog een kwartier, en tenslotte vatten ze in vijf minuten hun belangrijkste conclusies samen, waarna ook de zaal zich in het debat kon mengen.

Deze Rotterdamse geschiedenis maakt ook duidelijk dat hedendaagse verhoudingen behoorlijk veranderd zijn. Kwam het verzet tegen kerk en religie vooral van de linkerzijde van het politieke spectrum (vrijdenkers en socialisten), vandaag wordt het debat over de islam vooral vanaf de rechterzijde gevoerd (Leefbaar Rotterdam). Een even groot verschil is de wijze waarop het debat wordt geïnitieerd. De debatcultuur van het interbellum werd gedragen door de samenleving en door culturele belangengroepen: men hoopte door open discussie de verheffing van de Rotterdammer te stimuleren en de stedelijke cultuur naar grotere hoogtes te stuwen. De huidige lijkt vooral een bestuurlijk initiatief dat aan de stad wordt opgelegd. Dus geen uitverkochte zalen, maar een schijndebat voor een ongemotiveerd gehoor, zo lezen we in de kranten.

Want achter dat initiatief lijkt allereerst angst schuil te gaan. De ondergang van het avondland wordt weer in alle toonaarden bezongen. Thema’s als integratie, islam, openbare orde en criminaliteit worden naar hartelust door elkaar gehusseld en bieden een explosief mengsel dat als brandstof dient voor een heuse angstmachine. Burgers worden overspoeld met statistische gegevens over kleine en grote criminaliteit, met veiligheidsindexen, met gezeur over ‘foute rijtjes’, met rampscenario’s over de annexatie van de westerse beschaving door de islam, en tegelijkertijd geconfronteerd met een terugtredende overheid die ‘eigen verantwoordelijkheid’ predikt. Het gevolg is een vergroting van gevoelens van onbehagen en onveiligheid bij burgers, die steeds sterker het gevoel krijgen dat ze er alleen voor staan. En zo dreigt een exclusief op veiligheid gerichte stadspolitiek in haar tegendeel om te slaan. Het is een oude dialectische waarheid: fixatie op veiligheid bevordert juist gevoelens van onveiligheid.

Opnieuw zijn er parallellen te trekken met de vorige grote migratiestroom in Rotterdam. Het toenmalige stadsbestuur was verlamd door angst, want nooit eerder in de Nederlandse geschiedenis hoopten zoveel mensen uit de “geringe volksklasse” samen in een stad – in dit geval op Zuid. Van die mensenmassa ging een intimiderend effect op de elites uit. Gegoede burgers kwamen alleen op Zuid als het echt nodig was, architecten lieten zich door lijfwachten begeleiden, en openbare orde bepaalde het ontwerp en de stedenbouw van Zuid: de wijken rond Rijnhaven en Maashaven werden zo ingericht dat leger en politie, indien nodig, de wijken direct konden afgrendelen. Utopische stedenbouwkundigen als Van Tijen bouwden wijken zonder cafés, want dat zou een vragen moeilijkheden zijn. Cultuurcritici schreven vervolgens boeken en pamfletten waarin ze beweerden dat Rotterdam ten prooi was gevallen aan de barbarij. Zo zou de Rotterdamse taal bijvoorbeeld omstreeks 1900 al zijn gestorven en zijn overvleugeld door een Zuid-Hollands plattelandsdialect. Het kon toch niet zo zijn dat men in Rotterdam ‘boers’ ging spreken?

Maar Rotterdam toonde veerkracht en de stedelijke cultuur wist keer op keer haar angsten te overwinnen en terug te komen met een versterkt zelfvertrouwen. Want angst, zo leert het gezegde, is inderdaad een slechte raadgever. Pessimisten zeggen dat we niets van de geschiedenis kunnen leren, maar ik ben een optimist. Rotterdam - historisch gezien een stad voor migranten, gelukszoekers en nieuwe starters – heeft met vallen en opstaan leren leven met die singuliere variant van grootstedelijkheid. Niet voor niets heet Rotterdam in straattaaljargon ‘Roffadam’. De Rotterdamse ideologie lijkt dan ook deze: de Rotterdammer bestaat helemaal niet, hij moet steeds opnieuw worden uitgevonden, iedereen kan Rotterdammer worden.

Het oneindig recyclen van het veiligheidsdiscours, het verdrijven van de armoede tot buiten de ruit van Rotterdam, het zonder mededogen opjagen van junks en daklozen, en het frustreren van nieuwkomers oefenen op termijn een fnuikende werking uit op een vitale stadscultuur. Bovendien verhinderen deze aspecten ons te zien in welke mate Rotterdam zich de afgelopen decennia heeft ontwikkeld. Het Rotterdam waarnaar ik bijna vijfentwintig jaar geleden verhuisde, heeft sindsdien een geweldige gedaantewisseling ondergaan, zowel in demografisch, cultureel als economisch opzicht.

Ik ben niet enthousiast over de wijze waarop Rotterdam vandaag wordt bestuurd en voor het voetlicht wordt gebracht. Vrijheid wordt opgeofferd aan veiligheid, leefbaarheid aan meetbaarheid, verantwoordelijkheid aan aansprakelijkheid, creativiteit aan formules, en culturele pluriformiteit aan een vaag programma van Hollandse normen en waarden. Maar als optimist ben ik ervan overtuigd dat het tij zal keren en dat we later met deemoed terug zullen kijken op dit Rotterdamse fin de siècle. Want zo begrijp ik de wordingsgeschiedenis van Rotterdam, als een proces waarin migratie en culturele pluriformiteit aan de ene kant, en angst en repressie aan de andere kant, elkaar haast dialectisch voortstuwen naar die typisch Rotterdamse grootstedelijke cultuur. In zo’n spanningsveld bestaat steeds weer opnieuw behoefte aan een Pauluskerk.


siebe (dot) thissen (at) planet (dot) nl   - - -