Index of /Wijsbegeerte in Nederland/1993 Jacob Moleschott

  Name   Last Modified Size Description

Parent Directory   - - -
Get Adobe Acrobat Reader   - - You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download.
1993 Jacob Moleschott.pdf   25.01.2004 76kB -

1993


JACOB MOLESCHOTT
NATURALISME EN VOORUITGANG

In het herdenkingsboek dat De Dageraad in 1906 uitgaf ter gelegenheid van haar vijftig-jarig jubileum treffen we een foto aan waarop Jacob Moleschott in vol ornaat voor de lezer poseert. Die foto betrof zijn laatste optreden voor de Nederlandse vrijdenkers en daarna raakte hij al spoedig in de vergetelheid. In 1981 noemde Anton Constandse Moleschott zelfs nog een "Duits filosoof". Maar in de jaren tachtig van de vorige eeuw was de naam Moleschott onlosmakelijk verbonden met de Vrije Gedachte. In 1880 was hij betrokken bij de oprichting van de World Union of Freethinkers, in 1884 werd hij samen met de materialisten Charles Bradlaugh en Ludwig Buchner benoemd tot ere-leden van De Dageraad, in 1889 schokte hij het Vaticaan vanwege zijn bemoeienissen met de tot standkoming van het standbeeld voor de ketter Giordano Bruno aan het Campo dei Fioiri in Rome, en in 1892 kreeg hij ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag door de redactie van De Dageraad een speciaal herdenkingsnummer aangeboden. Moleschott was in deze jaren zonder meer de belangrijkste vaderlandse held van de Vrije Gedachte en zijn principiele houding tegen kerkelijke en religieuze intolerantie was een voorbeeld voor prille atheisten die vaak nog niet wisten hoe een goede atheist diende te leven. Het is nog altijd opmerkelijk dat een man die op wetenschappelijk gebied zijn hoogtepunt in de jaren vijftig kende pas in de laatste twee decennia van de vorige eeuw de faam kreeg die zijn figuur nog altijd omringt. Moleschotts orthodox-materialistische werk Der Kreislauf des Lebens uit 1852 veroorzaakte in medisch-wetenschappelijke kringen een storm in een glas water maar diezelfde storm luwde even zo snel als ze ontstaan was.

De waardering voor Moleschott in vrijdenkerskringen komt dan ook niet in de eerste plaats voort uit diens wetenschappelijke betekenis maar vooral uit zijn atheistische levenswandel die min of meer gemythologiseerd werd. In deze voordracht zou ik Moleschott dan ook willen presenteren als een metafoor, als een symbool van naturalisme en vooruitgang. De vereenzelviging van Moleschott met de vooruitgangsgedachte was niet alleen een constructie van de vrijdenkers; Moleschott had daar zelf ook aan meegewerkt. De grote materialisten van de negentiende eeuw - waaronder behalve Moleschott schrijvers als Vogt, Buchner, Bradlaugh, Czolbe en ook Karl Marx - deden hun uiterste best zich steeds te presenteren als de grote profeten van cultuur en vooruitgang. Men meende de drempel van een nieuwe tijd gepasseerd te zijn en technische vooruitgang werd door hen vereenzelvigd met cultuurbloei. De onthulling van het Giordano Bruno-monument nabij de pauselijke staat werd door De Dageraad dan ook de kroon op "een eeuw van vooruitgang" genoemd. Immers, honderd jaar eerder luidde de Franse Revolutie de vooruitgangsidee pas goed in. Het tijdperk van de kerken, de theologie en de metafysica liep ten einde en de moderne natuurwetenschap bood de mogelijkheden materiele en maatschappelijke progressie te realiseren. Kortom, Utopia lag binnen handbereik. In het Europese geestesleven werd dit besef in 1831 helder onder woorden gebracht door John Stuart Mill die in zijn prachtige essay The Spirit of the Age wees op de mentaal-culturele habitus van zijn tijd. En die bestond uit het voortdurend vergelijken van de eigen tijd met de voorafgaande historische periode. In Nederland werd deze radicale en optimistische vooruitgangsgedachte voor het eerst verwoord door Johannes van Vloten die in 1855 zijn befaamde essay Godsdienst en Natuurkennis de messianistische woorden sprak: "Wij zullen trachten ons een Hemel op Aarde te scheppen". In de jaren vijftig was Van Vloten de enige publicist die openlijk het atheisme van Moleschott verdedigde. Van Vlotens belangrijkste boek Benedictus de Spinoza, naar leven en werken, in verband met zijnen en onzen tijd geschetst - uit 1862 en herzien in 1871 - werd dan ook aan de grote materialist opgedragen. Volgens Van Vloten was de mens niet langer "Kristen" maar "Mensch". Het woord "Mensch" kreeg een romantische aantrekkingskracht en verlerlei concepten zouden in de daarop volgende decennia geconstrueerd worden: we kunnen dan denken aan concepten als de "hoogere mensch", de "vrije mensch", de "nieuwe mensch" en ook de "Uebermensch". Met andere woorden, Moleschott - en in zijn kielzog Van Vloten - stond aan de basis van het Nederlandse tijdperk van het utopisme waarin een afkeer van het verleden en een verafgoding van de toekomst centraal stond. In wezen predikten de vooruitgangsadepten het einde van de geschiedenis. De twee belangrijkste historici van de wijsbegeerte in de negentiende eeuw, Kuno Fischer en George Henry Lewes, meenden beiden dat respectievelijk Hegel en Comte het laatste stadium van de filosofie waren binnengetreden. Hun wereldbeeld was statisch, optimistisch en utopistisch. De mens was eindelijk de vormgever van zijn eigen toekomst geworden en het natuuronderzoek zou het grote mysterie geleidelijk ontrafelen.

Rond 1880 trad in Nederland een echte beweging op de voorgrond die haar inspiratoren vond in "nieuwe mensen" die de drempel van de "nieuwe tijd" al gepasseerd waren en het traditionele en dualistische christendom ver achter zich gelaten hadden. Ik zou de periode 1880-1920 hier willen typeren als het populistische moment van het 'fin-de-siecle'. Naarstig zochten denkers en publicisten naar inspirerende voorbeelden waardoor een seculiere hagiografie kon ontstaan: Multatuli, Moleschott, Domela Nieuwenhuis en Bolland waren de "nieuwe Heiligen". Het is de periode van de stand- en borstbeelden, van herdenkingsboeken en lofredes. Men loofde onder invloed van het liberale en nationale klimaat krachtige en onafhankelijke figuren die de onder het juk van de kerken vandaan gekomen waren en als profeten de mensen aangespoord hadden hun ketenen te verbreken. Zelfstudie en zelfontwikkeling waren populair, volksfilosofen maanden hun gehoor tot zelf-denken, en de wijsbegeerte groeide uit tot een laagdrempelige discipline die argumenten leverde om de religieuze onthechting die de moderne samenleving kenmerkte acceptabel te maken. Vrouwen bleven niet achter in deze ontwikkeling. Zo noemde de sociaal-filosofe Gertruida Kapteijn-Muysken de feministe Helene Mercier "een heilige van den nieuwen tijd". In deze populistische beweging was het anti-klerikale element sterk vertegenwoordigd maar stond het persoonlijk-filosofische of -religieuze element even centraal. Immers, nu de theologie en de christelijke moraal hadden afgedaan was het wel noodzakelijk een eigen evenwichtige levens- en wereldbeschouwing te construeren die meer in overeenstemming met de moderne natuurwetenschap gebracht kon worden. Zoals in de meeste sociale bewegingen is ook hier een linker- en een rechtervleugel te onderscheiden. Uiterst links vinden we de materialisten die ideologisch aangevoerd werden door Moleschott com suis. Uiterst rechts de "ethisch pantheisten" die rond 1900 hun spreekbuis vonden in de hegeliaanse dialecticus Bolland. Stond ter linkerzijde de idee van Vooruitgang centraal, ter rechterzijde speelde juist de kritiek op de vooruitgangsgedachte een cruciale rol. Vooruitgang en Nostalgia - om de termen van Christopher Lasch te gebruiken - stonden omstreeks de eeuwwisseling onverzoenlijk tegenover elkaar.

Wie schaarden zich in Nederland omstreeks 1880 in de rijen der vooruitgangsprofeten en welke groepen herbergde de linkervleugel van de populistische beweging? Het prototype van de Vooruitgangs-avant garde was zonder meer 'Flanor', de literaire columnist van het liberaal-atheistische orgaan De Nederlandsche Spectator. De hoogtijdagen van Flanor waren de jaren 1864-1888 toen de talentvolle letterkundige en cultuurcriticus Carel Vosmaer de pen voerde. Flanor was het ideaaltype van de 'Nieuwe Mens': hij was onafhankelijk, rap van tong, knap, jolig, slagvaardig, wars van sentimenten, onkerkelijk en uiterst scherp in zijn commentaren. Vooral de kerken, conservatieve theologen, filosofen en politici werden op de korrel genomen. De Spectatormannen werden aangevoerd door een van de meest boeiende publicisten van de negentiende eeuw, de jurist en filosoof Petrus van Limburg Brouwer, die de belangstelling voor niet-westerse culturen in Nederland bevorderde en het atheisme als een zedelijk ideaal verdedigd had. Zijn blad richtte zich tegen het conservatief-liberale blad De Gids en schreef in eerste instantie voor "rumoermakende en vooruitstrevende liberalen". Ik citeer uit een Flanor van 1878:

"Liberalisme is leven, vrije ontwikkeling, dus onafgebroken ontwikkeling. Uit elk stelsel, uit elke stelselmatige klasse kruipt het liberalisme uit, zooals de bloemen en planten naar licht en lucht zoeken en met geduld of met kracht daarheen een uitweg vinden als men ze opsluit. Gedresseerd, gereglementeerd, gedrild, in hokjes verdeeld kunnen zij maar niet worden; en hun zelfstandigheid en persoonlijkheid verkiezen ze maar niet weg te werpen. Lastig volk".

Hoe fel Flanor ook kon zijn, een ieder die de vooruitgang ter harte ging las hem wel. Hoezeer De Gids ook gericht was tegen De Nederlandsche Spectator, de meeste Gids-lezers lazen heimelijk en met veel plezier de 'Vlugmaren', zoals Flanors column genaamd was. Aan het einde van de jaren zeventig rekende Vosmaer vijf specifieke categorien tot de vooruitgangsbeweging: de "modernen" (de voorhoede uit de moderne theologie), de "pantheisten" (zij die in navolging van Spinoza God met de Natuur identificeerden), de "atheisten" (gewoonlijk radicale materialisten in het voetspoor van Moleschott), de "deterministen" (waaronder spinozisten, materialisten en darwinisten) en tot slot noemde Flanor de "Dageraadsmannen"; uiteraard de vrijdenkers die zich ophielden rondom het blad De Dageraad. We constateren hier dat de verschillende ideologien elkaar overlappen en dat van een duidelijke afbakening geen sprake is. Typerend is wel het feit dat alle leden een monistische filosofie omarmden waarin de verbondenheid met de natuur - met het Al-eene - gepostuleerd werd. Materialistisch en idealistisch monisme gaan hier vloeiend in elkaar over. Zo herbergde De Dageraad zowel atheistische materialisten als spiritistische pantheisten waardoor het vooruitgangsvraagstuk ook binnen de eigen kring gevoerd werd. Werden spiritisten bijvoorbeeld lange tijd "modern" geacht, aan het einde van de jaren tachtig rekende de harde kern van de vooruitgangsdenkers de spiritisten liever tot de "ancients". In 1889 werd daarom een internationaal spiritistencongres in Parijs georganiseerd onder het motto (en ik citeer):

"Het congres zal de wereld kond doen, dat de spiritisten geen mannen van den terug- maar van den vooruitgang zijn, dat ze vrijdenkers zijn in de schoonste zin van het woord, en dat het spiritisme niet godsdienst verwisseld met ceremonien, maar een wetenschap is, die op bewijsbare feiten der natuur berust..." (einde citaat).

Vooruitgang en 'bewijsbare feiten der natuur' gingen hand in hand. Het meest extreem werd deze samenhang verwoord door Jacob Moleschott die ieder idealisme afwees en buiten de empirie en het experiment geen enkele autoriteit duldde. Fel ageerde hij tegen kantianen en andere idealisten die het primaat van de geest tegenover dat van de stof stelden en onderschreven dat slechts het denken het leven op aarde enige zin geeft. Of in de woorden van Markus Polak - kantiaan, spiritist en oprichter van de 'clandistiene vrijmetselaarsloge' Post Nubila Lux (en ik citeer): "Mens zijn is denken. Zonder het denken is de heerlijke schepping Gods slechts een opgesmukte grafkuil". Moleschott was heel wat minder lyrisch over het fenomeen van de geest en hij beschouwde het denken slechts als een bijprodukt van een chemisch en fysisch proces in de natuur. Opmerkingen als dat hersenen gedachten produceren op een wijze zoals de lever gal afscheidt, werden hem door de idealisten niet in dank afgenomen. De verbetering en de verheldering van het verstand lag volgens Moleschott vooral gelegen in een goede toevoer van noodzakelijke brandstoffen naar de hersenen, zoals fosfor. "Zonder fosfor wordt er niet gedacht", zo provoceerde hij de idealisten. Onder de vooruitgangsadepten nam Moleschotts materialisme een kleine en geisoleerde plaats in omdat het materialisme een slechte naam had. Fervente aanhangers van zijn materialistisch monisme werden eigenlijk slechts aangetroffen in de kring van De Dageraad die daarom in de jaren tachtig de spreekbuis van de linkervleugel genoemd kan worden. In de praktijk leidde dit bij menig dageradiaan tot een eenvoudig wereldbeeld waarin alle gebeuren in de wereld verklaard werd uit de chemische en fysische kringloop in de natuur. In vroegere jaren bestond er onder vrijdenkers nog veel kritiek op het materialisme. Alexander Francois Siffle - de grootste filosoof van de eerste periode van De Dageraad - achtte Moleschotts fixatie op de stof veel te eenzijdig en meende dat (en ik citeer) "het zelfstandig zijn in denking en uitgebreidheid - beide onafscheidelijk van elkaar - de Kroon is van al onze denkbeelden". Met andere woorden, monisme ja, materialisme nee.

-

De materialisten hadden in hun dagen allereerst op te boksen tegen de heersende publieke opinie. Net als de spinozisten werden de materialisten van goddeloosheid en zedeloosheid beticht. Toen J.G. ten Bokkel in 1892 gevraagd werd Moleschotts De kringloop des levens te analyseren voor het Moleschott-herdenkingsnummer wees hij op deze begripsverwarring. Zijn bijdrage is ook afgedrukt in de reprint die De Vrije Gedachte u vandaag bij de ingang overhandigd heeft. Ten Bokkel behoordde tot de meest radicale Nederlandse atheisten. Hij vertaalde onder meer Lecky's Geschiedenis van de opkomst en den invloed van het rationalisme in Europa (1894) dat onder vrijdenkers tot een van de meest gelezen boeken van het 'fin-de-siecle' uitgroeide. Tevens schreef hij de beruchte anti-klerikale brochure Dominee, pastoor of Rabbi? waarvan in de jaren twintig nog zo'n 50.000 exemplaren verkocht werden. Ten Bokkel maakte een onderscheid tussen zedelijke en natuur-wetenschappelijke materialisten. Onder de eerste verstond hij de "eigenlijke" materialisten, en ik citeer de auteur:

"Zij kennen geen ander dan ruw zingenot, geen ander genoegen dan wat rijkdom, eerbewijzen en grootheid, eten, drinken, en de uitspattingen der zoogenaamde "liefde" kunnen geven. Zij hebben geen flauw vermoeden van de diepe waarheid, dat de eigenlijke waarde des levens niet in die genietingen ligt, en dat een deugdzaam, ernstig leven van studie veel inniger genot schenkt" (einde citaat).

Kortom, de "eigenlijke" materialisten zijn decadente hedonisten die het alledaagse roemen, zich verliezen in orgies en baccanalen, en door een onderontwikkeld geestesleven gekenmerkt worden. Volgens Van Bokkel treft men deze materialisten dan ook vooral aan in "paleizen en pastorien". Met de christenen en de idealisten wees ook hij dit materialisme af.
Daarnaast onderscheidde hij de natuur-wetenschappelijke materialisten die hij als aanhangers van de monistische of enkelvoudige wereldbeschouwing bestempelde. Het monisme leert dat alles in de wereld op natuurlijke wijze tot stand komt en verwerpt daarom alle "bovennatuurlijke en alle buiten-issige redeneeringen". Vorm, stof en kracht zijn een. Ik citeer Ten Bokkel opnieuw:

"...hij, de vorscher, heeft genoeg aan de natuur, zij biedt hem alles, zij is zijn licht en zijn leven, hare eigenschappen te bespieden en te doorgronden is hem poezie, en wie er zich moge vervelen tusschen kracht en stof, zeker niet deze hoogleeraar, die den mystieken hun geloof geen oogenblik benijdt. Vast is hij er van overtuigd, dat de materialisten in hunnen wetenschap vrij wat gelukkiger zijn, daar zoowel het hoofd als het hart genieten kan" (einde citaat).

Met andere woorden, hoe paradoxaal het ook moge klinken, de ware materialist is een metafysicus die zijn liefde voor de natuur lyrisch verwoord. Hoe zakelijk en hoe cijfermatig de materialisten hun onderzoeksresultaten ook presenteerden hun werken gaven tevens uitdrukking aan een ultieme bewondering voor de natuur. Daar waar men een gortdroog onderzoeksverslag verwacht verrast Moleschott de lezer met zijn prozaische taalgebruik. Ten Bokkel noemde Der Kreislauf des Lebens een "machtig en wonderschoon boek", het "Lof der Stof" en "het Hooge Lied van het Materialisme". De materialisten ontkenden weliswaar het bestaan van een God maar een onvervalste natuurverering had daarvoor de plaats ingenomen. Zelfs de radicale atheist Ten Bokkel kon zijn bewondering niet onder stoelen of banken schuiven (en ik citeer):

"Mijne bloedmenging schijnt mij onvatbaar te maken voor alle geloof, zelfs voor deze, zoo volkomen met de Rede harmonieerende materialistische wereldbeschouwing. Toch voel ik dat, als mijne bekeering mogelijk was, dit boek een wonder zoude hebben bewerkt" (einde citaat).

Uitzonderlijk is die natuurverering bij Moleschott beslist niet. Moleschott vertoefde in Duitsland veelvuldig in de vriendenkring van Berthold Auerbach, een van de meest populaire Duitse volksschrijvers van de negentiende eeuw. Auerbach was een vurig natuurvereerder en pantheist, en beroemd geworden door zijn Schwarzwalder Dorfgeschichten (1843). In de huiselijke kring van deze gevierde auteur ontmoette Moleschott zijn latere vrouw Maria Strecker. Auerbach was tevens de auteur van de historische roman Spinoza. Ein Denkerleben die in 1837 werd gepubliceerd maar pas in 1855 in een herziene uitgave een grote indruk op de zojuist ontwaakte Nederlandse seculiere cultuur maakte. Spinoza werd hier als een integere waarheidszoeker en natuurvorser gepresenteerd die in de Ethica lyrisch zijn "Deus sive Natura" bezongen had. Spinoza was geen zedeloze atheist, maar een sobere intellectueel die naar een harmonieuze verhouding tussen de eeuwige natuur en zijn eigen sterfelijke leven had gezocht. Voor Moleschott lag dat niet anders. Het werk van Moleschott kan zonder Spinoza's begrippen "natura naturans" en "natura naturata" niet begrepen worden en terecht heeft Vincent Peeters in Moleschott "een negentiende eeuwse Spinoza" gezien. Ten Bokkels schets van Moleschotts overgave aan de natuur wijst daar ook op (en ik citeer):

"Dat is taal van een man uit een stuk, die met zich-zelf, zijne omgeving, en de geheele natuur in volkomen harmonie leeft. En die levens- en wereldbeschouwing is zoo innig met den geheelen mensch saamgeweven, dat hij zelfs hier en daar van de gewone conventioneele taaluitdrukkingen afwijkt, om uiting te geven aan innerlijk voelen" (einde citaat).

We zien dat deze materialistische linkervleugel heel wat 'gevoeliger' en 'metafysischer' is dan we op het eerste gezicht geneigd zijn aan te nemen. Moleschott mag dan op wetenschappelijk gebied een kleine bijdrage geleverd hebben, in literair opzicht behoort de studie van Moleschott samen met Franz Junghuhns Licht- en schaduwbeelden uit de binnenlanden van Java (1855) en Van Limburg Brouwers Akbar (1872) tot de beste naturalistische literatuur die Nederland in de negentiende eeuw produceerde. Bovendien doen deze boeken niet onder voor de grote Europese en Amerikaanse naturalistische werken. De Amerikaanse letterkundige E.M. Beekman trok onlangs nog paralellen tussen het werk van Junghuhn en David Henry Thoreau. Moleschotts naturalisme bleef helaas buiten beschouwing. Het is dan ook jammer dat er nog nauwelijks onderzoek verricht is naar het belang van deze werken die een groot lezerspubliek kenden en in hun tijd veel herdrukken beleefden. Ook zou het boeiend zijn het werk van Moleschott en Auerbach nader te beschouwen. Immers, de spinozist Auerbach werd door de Spectator-groep op handen gedragen en meerdere malen bezocht hij Nederland. Carel Vosmaer deed alias Flanor boeiend verslag van deze ontmoeting. Van een orthodox materialisme was in Nederland nauwelijks sprake, veel beter kunnen we van een wetenschappelijk geinspireerd naturalisme spreken dat weldegelijk metafysische trekken vertoonde. De verering van de natuur verving de eredienst aan God. Ten Bokkel - die al kippevel kreeg bij iedere gemoedsstemming - betrapte ook Moleschott op semi-religieuze uitlatingen. Moleschotts vele "juichkreten" verraadden volgens de vrijdenker "eene soort vereering, bijna een religieus gevoel voor de stofwisseling". Hij achtte dit de meest zwakke zijde van het boek. Toch denk ik dat juist het onverholen enthousiasme van Moleschott voor de kringloop der natuur - zoals dat ook gebeurde in Buchners Kraft und Stoff - een voorspoedige verspreiding onder voormalig gelovigen mogelijk maakte.

De opkomst van materialistische denkbeelden binnen De Dageraad omstreeks 1880 werd tevens gestimuleerd door de inniger wordende band tussen de vrijdenkersbeweging en de arbeidersbeweging. Veel nieuwe leden hadden een socialistische gezindheid en volgden Domela Nieuwenhuis die in 1879 door zijn afscheid van de kerk betrokken was geraakt bij de vrijdenkersbeweging. Domela werd de spreekbuis van de socialisten in De Dageraad. Volgens de ex-Lutherse predikant moest vrijdenken nu eenmaal in zijn uiterste consequentie tot socialisme leiden en onophoudelijk propageerde hij deze relatie. Het gepopulariseerde materialisme van Moleschott, Buchner en Bradlaugh kon uitgroeien tot een wereldbeschouwing voor velen uit de arbeidersklasse en tot ca. 1910 verschenen er populaire werkjes waarin Moleschotts materialistisch monisme voor een lekenpubliek uit de doeken werd gedaan. Voorbeelden vinden we onder meer in Domela Nieuwenhuis' studie Het monisme of de eenheidsleer uit 1905 en het boekje van de vrijdenker en arbeidersfilosoof Bernard Damme, Iets over eenige monisten en het monisme dat in 1910 het publiek bereikte. Hier wordt de natuurwetenschap gekoesterd, het christelijk dualisme verworpen, en het monisme als wonderolie voor alle kwalen aanbevolen. Ik citeer een optimistische Damme:

"Oorlog, ellende, armoede, ontaarding op verschillend gebied, zal door de verbreiding der monistische ideeen uit ons midden verdwijnen. Een samenzijn van menschen, welke in waarheid op deze naam aanspraak mogen maken, zal dan eenmaal verrijzen" (einde citaat).

Het combineren van het natuurwetenschappelijk monisme met de sociale kwestie, zoals dat binnen de arbeidersbeweging rondom Domela gebeurde, was niet toevallig want Moleschott had daartoe in zijn persoonlijke leven alle aanleiding gegeven. Voortdurend heeft de vrijdenkende biochemicus zich met sociale en politieke kwesties beziggehouden. Als materialist richtte hij zich niet op hoogdravende politieke theorien of op hervormingen van het staatsbestel maar juist op "stoffelijke behoeften". Zo meende hij dat het volstrekt eenzijdige menu van de armen en de arbeiders iedere geestelijke en maatschappelijke vooruitgang in de weg stond. Immers, eenzijdig voedsel - zoals aardappelen - bevatte te weinig goede stoffen om de hersenen optimaal te laten functioneren. Ook beval hij voor ouden van dagen in de armenhuizen "goede oude wijn" aan en pleitte hij in navolging van zijn Utrechtse leermeester Mulder voor meer "roggebrood met vleesch" om beenbreuk-epidemien onder de armen te minimaliseren. De bekende uitspraak "Der Mensch ist was er iszt" wordt dan ook aan Moleschott toegeschreven.
Deze sociaal-medische opvattingen vonden veel weerklank onder socialisten die in Moleschott steun vonden in hun pogingen de materiele omstandigheden van de arbeiders te verbeteren. Bovendien meende Moleschott samen met de socialisten dat een rechtvaardigere verdeling van inkomens een absolute voorwaarde voor een goede volksgezondheid was. De toekomst was daarom aan het socialisme en niet aan de "gemakzuchtige bezitter" (en ik citeer Moleschott):

"Trots de tegenkanting van dichters, geleerden en gemakzuchtige bezitters, behoort de toekomst aan de socialistische wereldbeschouwing...Met Liebig meen ik "dat elk deel van het geheele organisme een natuurrecht bezit op het vrije gebruik zijner arbeidskracht"...In onzen toestand van beschaving moet de eerbied voor den eigendom in omgekeerde reden staan tot den nood, die het individu dwingt tot diefstal" (einde citaat).

Moleschott, de vrijdenkers en de socialisten rondom Domela Nieuwenhuis geloofden in het natuurrecht, en hun naturalisme was - om de woorden van Gerlof Verweij te gebruiken - "a quest for natural man". Moleschott was een inspirerend voorbeeld voor velen: hij was een principiele tegenstander van de kerken in een tijd dat Dageraad-scribenten gewoon nog op zondagochtend met vrouw en kinderen naar de kerk gingen terwijl zij in hun blad de lezers juist opriepen met de kerken te breken. Moleschott trotseerde met zijn controversiele standpunten censuur en ontslag en verschool zich niet achter zijn gegoede posities als hoogleraar en senator. Hij nam het op voor de door misoogsten en aardappelziektes geplaagde paupers van de jaren vijftig en zestig en propageerde het socialisme als de levensbeschouwing van de toekomst. Bovendien had zijn naturalisme romantische trekken waardoor het wonderwel aansloot bij het pantheistische karakter van het geestesleven van het 'fin-de-siecle'. Desondanks kreeg hij weinig openlijke steun in eigen land en grepen critici alle gelegenheden aan Moleschott te betichten van de verzakelijking en de rationalisering van de moderne samenleving. De hegeliaanse filosoof Bolland, zonder meer de belangrijkste populist van de jaren 1900-1920, maakte van Moleschott zijn ultieme vijand en heeft er alles aangedaan de belangrijke rol van de materialisten te ontkennen. Zijn hetze tegen Moleschott in De Dageraad van de jaren 1888-1889 was niet geheel vrij van persoonlijke frustraties. Nog in 1953 stelde ook de katholieke historicus Moleschott verantwoordelijk voor de geestelijke ellende van de twintigste eeuw. Het spirituele, de humor en de poezie zouden door de materialisten verkracht zijn. U denkt daar vast anders over.


siebe (dot) thissen (at) planet (dot) nl   - - -