| Name | Last Modified | Size | Description |
| Parent Directory | - | - | - |
| Get Adobe Acrobat Reader | - | - | You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download. |
| 1994 Een wijsgerige beweging en haar cultuurtaak.pdf | 25.01.2004 | 87kB | - |
DE NALATENSCHAP VAN ERASMUS
een wijsgerige beweging en haar cultuurtaak
Talrijk zijn de klachten over het peil van het wijsgerig denken in Nederland in de negentiende eeuw. Commentatoren als J. Huizinga en Ferd. Sassen hadden van de vaderlandse filosofie sinds 1800 geen hoge dunk en buitenlandse scribenten als H. Plessner of E. Zahn meenden dat de wijsbegeerte hier het theologische stadium nooit gepasseerd zou zijn. Toen K.H. Roessingh in 1914 promoveerde op een onderzoek naar de moderne theologie in Nederland kon hij bekende negentiende-eeuwse wijsgeren als Ph.W. van Heusde en C.W. Opzoomer terecht aanwijzen als emancipatoren van het nieuwe theologische denken. Immers, zij hadden de theologie weer in aanraking gebracht met de wereldse cultuur waar natuurwetenschappelijke uitkomsten de orthodoxe theologie in verlegenheid hadden gebracht. Maar op het gebied van de zuivere wijsbegeerte bleef hun bijdrage onder de maat en verbleekten de Nederlanders bij de hoofdrolspelers uit de Duitse, Franse en Engelse filosofie. De historicus van de wijsbegeerte in Nederland bij uitstek - F. Sassen - sprak in 1947 een geringschattend oordeel uit over de beoefening van de filosofie in de negentiende eeuw: de productie was gering in omvang, gekoesterde denkbeelden bleken niet bijster origineel, debatten beperkten zich tot een handjevol geestverwanten, de filosofie handhaafde zich als een privilege van de upper-ten, en haar maatschappelijke invloed moet nihil geacht worden. Later nuanceerde hij zijn standpunten enigszins door uitvoeriger in te gaan op bewegingen als de vrijdenkerij en het spinozisme.
Deze conclusies staan in een schril contrast met de opmerkingen van tijdgenoten die sinds de tweede helft van de vorige eeuw juist de wederopstanding van de filosofie bezongen. Sassens fixatie op het wijsgerig gehalte van het filosofisch discours in de Nederlanden verhinderde hem grondig studie te maken van de beoefenaars zelf. Het is de verdienste van de filosoof en theosoof J.J. Poortman dat hij zich losgemaakt heeft van de kwalitatieve beoordeling die het werk van Sassen kenmerkte. In zijn Repertorium der Nederlandse Wijsbegeerte (1948) biedt hij een uitputtend overzicht van publicaties en auteurs waardoor de lezer een indruk krijgt van de bloei van de wijsbegeerte buiten het beschermde domein van de universiteiten. We worden geconfronteerd met filosofisch leven in de vrijmetselarij, vrijdenkersverenigingen, letterkundige genootschappen, theosofische en spiritistische loges, buurtverenigingen en volksuniversiteiten, utopistische gemeenschapjes als Walden en Larenblaricum, en - uiteraard - in filosofische verenigingen. Dankzij Poortman krijgen we zicht op het ontstaan van een populair-filosofische infrastructuur en de ontwikkeling van een wijsgerige beweging. Indien we in het kader van het NWO-prioriteitsprogramma De Nederlandse Cultuur in Europese Context een studie willen verrichten naar de invloed van de wijsbegeerte op het Nederlandse geestesleven omstreeks 1900, dan mag de aandacht voor die infrastructuur en beweging niet langer ontbreken.
Het besef dat de Nederlandse samenleving een wijsgerige beweging herbergde werd in 1907 nadrukkelijk verwoord door J.D. Bierens de Haan, de belangrijkste filosoof van de generatie van Tachtig. Bij de oprichting van het Tijdschrift voor Wijsbegeerte - het orgaan van deze beweging - schreef hij verheugd dat de "zoo groote vermeerdering van wijsgeerige belangstelling [op] een niet te miskennen teeken in de moderne kultuur [duidt]". De moderne cultuur zou zich sinds de zeventiende eeuw eenzijdig-rationeel hebben ontwikkeld, waardoor "het beschouwelijk temperament" en daarmee ook de wijsbegeerte, naar de maatschappelijke marge gedirigeerd was. Maar nu had de Nederlandse wijsbegeerte haar isolement achter zich gelaten en met grote verwachtingen maakte men zich op voor "de verkondiging van een volle en harmonieuse levensleer". Deze aandacht voor een praktische levensleer was het wijsgerige antwoord op de wording van een "dieszeitige" samenleving waarin de toegenomen arbeidsverdeling, consumentisme, industrialisatie, natuuraantasting en verkeersdrukte "het Eeuwige als een onbereikbaar Jenseits" geïsoleerd hadden. Het was een cultuurkritische beweging waarbinnen uiteenlopende filosofen samenwerkten en elkaar vonden in hun stelling dat "de opvoeding van het intellect tot zijn volheid" de "kultuurtaak" van de wijsbegeerte in een moderne tijd was geworden.
Toch was de 'ontdekking' van deze beweging niet nieuw. Al in 1859 had de Middelburgse notaris en wijsgeer A.F. Siffle in een voordracht gewezen op de herleving van de filosofie in Nederland en het ontstaan van een wijsgerige cultuur "ter andere zijde". Tot de "ene zijde" rekende hij namen als F. Hemsterhuis, Van Heusde en Opzoomer, en "ter andere zijde" noemde hij nieuwlichters als Kinker, Van Hemert en M.S. Polak. Zij stonden zeer kritisch ten opzichte van de kerken en de moderne theologie en hun polemisch fanatisme bemoeilijkte een voorspoedige verbreiding van hun opvattingen. Tot omstreeks 1855 bood met name de vrijmetselarij gelegenheid te debatteren over vraagstukken waarover in de burgerlijke samenleving gezwegen werd. Negentiende-eeuwse denkers als Kinker, Van Hemert, Polak, F.W.Junghuhn, Siffle en D.Burger jr. waren allen vrijmetselaar, in politiek opzicht liberaal, en in religieuze zaken toonden zij zich tolerant maar anti-klerikaal. Gestimuleerd door de liberale overwinning in 1848 traden de broeders vaker uit hun maçonnieke schulp om hun opvattingen aan een breder publiek te presenteren.
Met de oprichting van de 'clandestiene loge' Post Nubila Lux (1850) poogde oprichter Polak te Amsterdam een "School voor bespiegelende Wijsbegeerte" te openen. De loge bood cursussen aan over de geschiedenis van de wijsbegeerte. Immers, de geschiedenis leverde een reservoir aan argumenten waarmee de broeders hun eigen levens en wereldbeschouwing konden samenstellen. In hun streven naar een tolerante "ideologie der coëxistentie van ideologieën" (Leo Apostel) baseerden zij zich op een principieel eclecticisme en werd het aanhangen van een enkel dogmatisch stelsel als "verpersoonlijkte letterroof" gediskwalificeerd. Het socratische motto "Ken U zelve!" - uiterst populair in de beweging - was onlosmakelijk verbonden met dit eclecticisme. Enerzijds loofde men de wetenschap omdat 'de Rede' een evolutionair proces zichtbaar maakte waarin de "Kristen" geleidelijk evolueerde tot "Mens". Anderzijds hekelde men het eenzijdige natuuronderzoek dat vooralsnog leidde tot "menigvuldiging" van kennis - of beschrijving en analyse - en vaak naliet op te klimmen tot de "vereeniging met het Al-ene": de synthese van de kennis. Tegenover het dualisme van de christelijke leer plaatste menig naturalist een monisme dat op het werk van Spinoza teruggreep. De grootste promotor van deze Spinoza-herleving was ongetwijfeld J. van Vloten die tussen 1855 en 1880 ruim zestig verhandelingen over het leven en werk van de zeventiende eeuwse wijsgeer publiceerde.
In de jaren 1850-1870 leverden naturalistische denkers als
Jac. Moleschott, Junghuhn, Van Vloten, P. van Limburg Brouwer en C. Vosmaer
een bijdrage aan
het maatschappelijke en wijsgerige debat. Een cruciale rol was weggelegd voor
twee nieuwe tijdschriften die zich opwierpen als wijsgerige spreekbuizen. Allereerst
was daar het vrijdenkersorgaan De Dageraad, opgericht in 1855 door dissidente
leden van Post Nubila Lux, en vijf jaar later verscheen het eerste nummer van
het antiklerikale opinieblad De Nederlandsche Spectator. Dit blad voor "onafhankelijke
en rumoermakende liberalen" keerde zich expliciet tegen de gezapige atmosfeer
rondom het conservatief-liberale blad De Gids dat zich niet wilde mengen in
heikele discussies. Zo deelde de Gidsredactie in 1843 aan Van Vloten mede dat
zijn medewerking niet langer op prijs werd gesteld. De wijsgerige beweging
bereikte aan het einde van de jaren zeventig een voorlopig hoogtepunt toen
Vosmaer - alias Flanor, de columnist van de Spectator - een overzicht van de
groepen uit die cultuur presenteerde. Tot de voorhoede rekende hij pantheïsten,
deterministen, atheïsten en "Dageraadsmannen". De beweging deelde
een monistisch denken waarin de verbondenheid met de sociale en natuurlijke
leefomgeving beleden werd. Centraal stond de belangstelling voor de "Eeuwig
Naturende Natuur" en de "zedelijke opvoeding" (ethiek), maar
daaruit trok men tevens - zoals Spinoza eerder al deed - sociale en politieke
consequenties. Van Limburg Brouwer bracht als radicale liberaal de jaren 1864-68
in de Tweede Kamer door; Van Vloten was actief in de politieke vereniging De
Unie; en Moleschott - de "vertegenwoordiger van de diersoort mens" -
mocht na zijn naturalisatie tot Italiaan zelfs senator worden in Rome. Kennis
van de mens en zijn natuurlijke en sociale omgeving zou een 'Nieuwe Tijd' moeten
realiseren waarin de mens eindelijk Mens en vormgever van zijn eigen toekomst
zou kunnen worden
.
Ook in de internationale context sloeg dit naturalisme geen slecht figuur.
Moleschott opende in 1852 de befaamde Materialismusstreit in Duitsland en werd
hoogleraar in Heidelberg, Zurich, Turijn en Rome; hij was de drijvende kracht
achter de World Union of Freethinkers en rekende vermaarde 'avant-gardisten'
als G.H. Lewes, G. Eliot, L. Feuerbach, D.F. Strauss, K. Fischer, C. Lombroso
en E. Reclus tot zijn vrienden. Bovendien bezochten positivisten als H. Spencer,
B. Auerbach en E. Renan hun Nederlandse geestverwanten tijdens belangrijke
gebeurtenissen, zoals de Spinoza-herdenkingen. Lange tijd speelde de maconnieke
infrastuctuur een grote rol: zo werden de eerste drukken van het beruchte werk
van Junghuhn - Licht en Schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java (1855)
- in Nederlandse en Duitse versies door de macons verspreid en traden Polak
en Siffle als redenaars van hun loges op de voorgrond.
In de jaren tachtig bleef de door Van Vloten in 1855 aangekondigde "Hemel op Aarde" uit en zagen velen zich genoodzaakt het optimisme ten opzichte van de wetenschap te temperen. De wetenschappen hadden zich niet alleen geconsolideerd maar tevens de fragmentering ("menigvuldiging") van de wereld versneld, zo meende menig criticus. Binnen de wijsgerige beweging weerklonk steeds vaker scepsis ten opzichte van de wetenschappelijke pretenties. Toonaangevende academische wijsgeren als A.Pierson, Opzoomer, C.Bellaar Spruijt en B.H.C.K. van der Wyck steunden de resultaten van de moderne wetenschap maar kritiseerden de metafysische en vaak monistische standpunten zoals die binnen de wijsgerige beweging gekoesterd werden. Zo toonde de neokantiaan Bellar Spruijt een onverholen afkeer van de eclectische wijsbegeerte en schroomde hij niet popularisatoren als Van Vloten belachelijk te maken. Nog in 1908 zou de "werkman-filosoof" B. Damme met afschuw verwijzen naar deze periode waarin de upper-ten poogde de filosofie te monopoliseren binnen de universiteiten. Een gunstige uitzondering was de filosoof en orientalist J.P.N. Land die met Van Vloten het volledige werk van Spinoza bezorgde (1882-83).
De erfgenamen van de naturalistische en postmaçonnieke cultuur, zoals de filosoof en spinozist M.C.L. Lotsy, zagen zich gedwongen hun houding ten opzichte van wetenschap en vooruitgang te nuanceren. De wetenschap had haar beloftes niet kunnen inlossen, het zicht op het "Al-ene" leek volledig vertroebeld, en gevestigde filosofen poogden hun vakgebied van nieuwlichters verschoond te houden. De beweging vond nu aansluiting bij de zojuist ontwaakte literaire en politieke beweging van Tachtig die zich vormde rond het in 1885 opgerichte tijdschrift De Nieuwe Gids - geredigeerd door F. van Eeden, W. Kloos, A. Verwey en F. van der Goes. De redacteuren kenden elkaar uit een Amsterdamse studentenclub met de veelzeggende naam Flanor, en men toonde veel waardering voor de oude garde - onder wie Van Vloten, Van Limburg Brouwer en Vosmaer. Van hen erfde Tachtig ook de belangstelling voor het spinozisme; zo publiceerde H. Gorter in 1895 een vertaling van de Ethica en werd de Haagse kunstschilder H.P. Bremmer geinspireerd door de geometrica van Spinoza. Bovendien trouwden Van Eeden, W. Witsen en Verwey allen met dochters van Van Vloten.
Geschoold in de traditie van Van Vloten was Lotsy aanvankelijk de belangrijkste wijsgerige en politieke medewerker van De Nieuwe Gids en ontpopte hij zich als een fanatiek criticus. Zo meende hij dat het liberalisme gestorven was omdat zij geen idealen meer koesterde maar wetenschappelijke pretenties monopoliseerde. Ook schreef hij over de "wetenschappelijke grootheidswaanzin", over "maniakale Kantsverafgoding" en "weerzinwekkende pretenties". In 1888 werd de latere hegeliaan G.J.P.J. Bolland als medewerker aangetrokken waardoor de idealistische aanvallen op de wetenschap werden geïntensiveerd. Niet zonder reden luidde Bollands eerste bijdrage in oktober 1888 Natuurwetenschap en Wijsbegeerte.
De nieuwe wijsgerige beweging kreeg steeds meer belangstelling voor een subjectivistisch idealisme dat wortelde in de cultuur van Tachtig. Daarmee werd de beweging een 'kultuurbeweging' die veel sympathie koesterde voor de mystieke levensleer van Bierens de Haan en de Zuivere Rede van Bolland. Beiden boden immers een wijsgerige legitimering van het subjectivisme. Of zoals Verwey na het bijwonen van Bollands oratie te Leiden in 1897 schreef: "...nog nooit heb ik zoo de onpersoonlijkheid van het geschrevene zien verdwijnen onder de persoonlijkheid van het gesproken woord [...] die hartstocht en die natuurlijkheid, die oprechtheid en die verzekerdheid waardoor hij een nieuwen tijd vertegenwoordigt aan een oude universiteit". De meest boeiende wijsgerige polemieken vinden we tijdens het fin-de-siecle in tijdschriften als De Nieuwe Gids, De Kroniek, Tweemaandelijks Tijdschrift en De Beweging. De kerngedachte van Bierens de Haan - dat de norm der waarheid slechts in onszelf te vinden is - vond veel weerklank maar bevestigde de onoverbrugbare kloof ontstond tussen universiteit en beweging. Zo maakte een polemiek in De Kroniek (1897) tussen Bierens de Haan en de fysicus J.D. van der Waals - de latere nobelprijswinnaar - op pijnlijke wijze duidelijk dat van serieuze communicatie geen sprake meer was. Velen keerden zich af van de universitaire en politieke cultuur en het anarchisme scheen een aanlokkelijk alternatief.
Anderen, zoals de spinozist W. Meijer, de psycholoog G. Heymans en de filosoof L. Polak poogden met hun 'psychisch monisme' de banden tussen de gevestigde wetenschap en de beweging in stand te houden. In het aristocratische antimodernisme van Bolland en Bierens de Haan vonden zij geen alternatief (bekend is het verhaal dat de zachtmoedige Meijer slechts door een debat over Bolland uit zijn evenwicht gebracht kon worden). Er waren omstreeks de eeuwwisseling heftige antipoden en controverses: de gelovige Kohnstamm tegenover de vrijdenker Meijer; Bolland tegenover Heymans; De Hartog tegenover Ovink; en Mannoury tegenover Pit. Het herleving van de wijsgerig leven werd beslist gestimuleerd door Bollands charisma en populisme ("In Holland spreekt men Bollands"). Dankzij deze beweging zagen bovendien ook vrouwen voor het eerst kans actief deel te nemen aan het wijsgerig leven. Filosofes als Ester Vas Nunes (logica), Gertruida Kapteijn-Muysken (ethiek) en Clara Wichmann (sociale filosofie) leverden een bijdrage aan de filosofie in Nederland.
Maar hoe divers de standpunten ook waren, in 1907 werd er met het Tijdschrift voor Wijsbegeerte weldegelijk een beweging met een programma gepresenteerd. Volgens Bierens de Haan was het tijdschrift geen vakblad, maar juist een "kultuurblad". De organisatorische basis van de beweging bestond uit lokale wijsgerige verenigingen die onder meer in Amsterdam, Leiden, Utrecht, Arnhem en Den Haag werden opgericht. Hier was een belangrijke rol weggelegd voor filosofen als Meijer, Kohnstamm, Heymans, Wijnaendts Francken, Der Mouw en Casimir. Het lijkt aannemelijk dat de negentiende-eeuwse logecultuur als een voorbeeld fungeerde voor deze lokale verenigingen, die onafhankelijk van de kerken en de overheid de zedelijke opvoeding van het Nederlandse volk ter hand dienden te nemen. De verenigingen werden beschouwd als een belangrijke sociale basis van de "Nieuwe Samenleving" waarin "de opvoeding van het intellect tot zijn volheid" de crux diende te zijn. Of zoals Meijer in 1910 voor De Vrije Gedachte schreef: "Ons doel moet zijn onze kennis van de wijsbegeerte te vermeerderen en de kennis der filosofie te verspreiden ook buiten de wanden der Hoogeschool [...] Zoo moet de wijsgeeerige vereeniging aan ontwikkelde menschen, die geen tijd hebben dag in dag uit te studeeren gelegenheid geven zich met de hoogste vraagstukken des levens verkond te maken". De wijsgerige verenigingen stonden bovendien in contact met arbeiders-, vrouwen- en buurtverenigingen die veel belangstelling toonden voor zelfontwikkeling en het fenomeen van de self made (wo)man. Verenigingsleden, zoals Meijers leerling Bernard Damme, speelden een cruciale rol in de volksontwikkeling en de opkomst van de volksuniversiteiten. Ook de oprichting van de Internationale School voor Wijsbegeerte te Amersfoort (1916) gaf blijk van de bloei van de beweging.
Samenvattend kunnen we stellen dat het filosofisch leven in Nederland omstreeks 1900 werd gekenmerkt door de doorbraak van een wijsgerige beweging die fel de 'Vooruitgang' bekritiseerde. Die Vooruitgang had weliswaar de sociale mobiliteit bevorderd maar tegelijkertijd "de geestelijke stijgkracht van het geheel" verlamd. De oprichting van het Tijdschrift voor Wijsbegeerte betekende een kroon op de pogingen "het beschouwelijke denken" een evenredige rol toe te bedelen in de moderne samenleving. Cultuurhistorisch onderzoek naar het ijkpunt 1900 biedt slechts perspectief indien wijsgerige ontwikkelingen gerelateerd worden aan de opkomst en bloei van een sociale beweging die tot op heden door historici genegeerd werd.
besproken literatuur
Ferd. Sassen, Wijsgeerig leven in Nederland in de twintigste eeuw (Amsterdam
1947); id., Geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland tot het einde van
de negentiende eeuw (Amsterdam-Brussel 1959); K.H. Roessingh, De moderne theologie
in Nederland: hare voorbereiding en eerste periode (Leiden-Groningen 1914);
J.J. Poortman, Repertorium van de wijsbegeerte in Nederland (deel 1, Amsterdam-Antwerpen
1948); J.D. Bierens de Haan, Een wijsgeerige beweging in Nederland, in: Tijdschrift
voor Wijsbegeerte (1907); A.F. Siffle, Verhandeling over B. de Spinoza - voor
het Zeeuws Genootschap der Wetenschappen, in: De Dageraad (1859); M.S. Polak,
De nieuwe grondleer der wijsbegeerte (Amsterdam 1857); Jac. Moleschott, Der
Kreislauf des Lebens (Mainz 1852); Johannes van Vloten, Baruch d'Espinoza,
zijn leven en schriften, in verband met zijnen en onzen tijd (Amsterdam 1862);
Leo Apostel, Vrijmetselarij. Een wijsgerige benadering (Antwerpen-Baarn 1992);
Willem Meijer, inleidingen tot de Nederlandse vertaling van het volledige werk
van Spinoza (Amsterdam 1895-1901); Bernard Damme, B. de Spinoza: populaire
bijdrage over zijn leven en leer (Rotterdam 1908); H.G. Hubbeling, Gerardus
Heymans over metafysica en esthetica (Baarn 1987); G.J.P.J. Bolland, Zuivere
Rede. Een boek voor vrienden der wijsheid (Leiden 1904); Gertruida Kapteijn-Muysken,
Affirmatie. Lijnen eener levensbeschouwing (Amsterdam 1908); Clara Meijer-Wichmann,
Inleiding tot de philosophie der samenleving (Haarlem 1925); Christopher Lasch,
The True and Only Heaven. Progress and its critics (New York-London 1991).
| siebe (dot) thissen (at) planet (dot) nl | - | - | - |