Index of /Wijsbegeerte in Nederland/1998 Pluralistische historiografie

  Name   Last Modified Size Description

Parent Directory   - - -
Get Adobe Acrobat Reader   - - You need Adobe Acrobat Reader to read and/or print .pdf files. It is a free download.
1998 Pluralistische historiografie.pdf   25.01.2004 108kB -

1998

NAAR EEN PLURALISTISCHE HISTORIOGRAFIE
VAN DE WIJSBEGEERTE IN NEDERLAND


"Het is een feit van de allergrootste beteekenis, dat, terwijl in het midden der 19de eeuw bijna ieder natuurvorscher, jurist, historicus en kunstenaar de wijsbegeerte smaadde en den omgang met den filosoof vermeed, omdat deze hem niets meer te zeggen had, in onze dagen weer een nauwer contact tusschen wetenschap, kunst en wijsbegeerte wordt gezocht". (Herman Wolf, 1927)

In het najaar van 1989 verschijnt het nulnummer van een nieuw periodiek: Geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland. Documentatieblad van de Werkgroep Sassen. De redactiemedewerkers, allen werkzaam aan de Faculteit Wijsbegeerte van de Erasmus Universiteit te Rotterdam, stellen in hun redactioneel dat zij 'het door Sassen geïnitieerde onderzoek willen voortzetten'. De voormalige hoogleraar Ferdinand Sassen (1894-1971) is een van de weinige filosofen die de geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland - tevens de titel van zijn hoofdwerk uit 1959 - tot speerpunt van zijn intellectuele interesse maakte. In feite schreef Sassen het enige bestaande naslagwerk over Nederlandse wijsgeren en hun filosofische preoccupaties. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de Werkgroep Sassen de inspanningen van deze katholieke hoogleraar als vertrekpunt neemt. Het nieuwe vakblad beoogt het publiceren van resultaten van recent historisch onderzoek naar Nederlandse wijsgeren, hun publicaties en de maatschappelijke en culturele reikwijdte van hun denkbeelden. Bovendien verschijnen in dit verband ook thematische studies, waaronder de Nederlandse verlichting, het denken over esthetica, het Nederlandse fin de siecle en een bibliografisch overzicht van het werk van Ferdinand Sassen - de inspirator van het Rotterdamse onderzoek.

Een tweede naslagwerk dat onontbeerlijk genoemd moet worden voor ieder onderzoek naar de wijsbegeerte in Nederland is J.J. Poortman's Repertorium der Nederlandse Wijsbegeerte (1948). Terwijl Sassen als chroniqueur heeft getracht een historisch overzicht te bieden van het wijsgerige denken in Nederland van de middeleeuwen tot aan het einde van de negentiende eeuw, beperkt Poortman zich tot een bibliografisch repertorium waarin hij een zo uitputtend mogelijk overzicht biedt van publicaties van Nederlandse wijsgeren. Een eerste kennismaking met de geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland verloopt doorgaans via deze twee studies. Bovendien dwingen beide, conceptuele titels de historicus en filosoof tot enige bezinning: dient men de 'wijsbegeerte in Nederland' (Sassen) of de 'Nederlandse wijsbegeerte' (Poortman) als uitgangspunt te nemen? De Werkgroep Sassen heeft zich vanaf den beginne verzet tegen het concept van een 'Nederlandse wijsbegeerte' en spreekt in haar titel en gepubliceerde bijdragen liever van 'wijsbegeerte in Nederland' - een pleidooi om al te chauvinistische connotaties en zinloze discussies over de Nederlandse volksaard te vermijden.

Eerdere pogingen tot het formuleren van een 'Nederlandse wijsbegeerte' bleken weinig succesvol omdat zij in eerste instantie een legitimering van nationale projecten beoogden. Zo rechtvaardigt Philip Willem van Heusde het ontstaan van het Nederlandse Koninkrijk in 1815 door zich af te zetten tegen de Duitse, Franse en Britse wijsbegeerte. Hij ageert tegen de invloed van het Duitse speculatieve idealisme met zijn 'willekeur, magtspreuken en paradoxen' omdat ze het Nederlandse denken - gekenmerkt door 'eenvoudigheid, gezond verstand en godsdienstzin' - zou bedreigen. Met eenzelfde enthousiasme verwerpt hij vervolgens het dogmatisme van de Fransen en het scepticisme van de Britten. Later in de negentiende eeuw weigert hoogleraar Jan Pieter Nicolaas Land aan een Nederlandse wijsbegeerte enige status toe te kennen omdat Nederlanders haar 'onvruchtbaar, koud als ijs en vooral neologisch' van aard achten. Voor Spinoza en Geulincx behoudt hij grote waardering, maar noemt hen 'halve vreemdelingen'. Een kleine Duitse studie uit 1926, Hollandische Philosophie, geschreven door de Belg Lucien Brulez, borduurt op die these verder en spreekt zelfs van de 'geistige Impotenz der Hollander'. In het bloed en bodemklimaat dat het interbellum en de Tweede Wereldoorlog domineert, verschijnt de rijkelijk geïllustreerde bundel De Nederlandsche Geest (1941) waarin Johannes Diderik Bierens de Haan de Nederlandse volksaard als 'picturaal' typeert: het gevolg van 'een introverse geestesgesteldheid'. Nederlanders zouden elk gevoel voor 'het monumentale' en 'de grootse tragedie' missen, met als uitzondering het nationale volkslied, het Wilhelmus. Toch concludeert hij dat een 'volkskarakter' zich niet met nauwkeurigheid laat bepalen omdat dat zij eerder naar een voortdurende discussie neigt over zaken die 'allicht te korrigeeren of misschien te weerleggen zijn'.

'Wijsbegeerte in Nederland' als model, of zoals Sassen eerder noteert, 'wijsgerig leven in Nederland', heeft als voordeel dat het werkterrein en het onderzoeksveld van de historicus en de filosoof in principe eindeloos kunnen worden uitgebreid vanuit specifieke vraagstellingen. In plaats van zich exclusief te fixeren op grote filosofen en cruciale geschriften dient het werkterrein tevens te worden verbreed naar andere aspecten van het wijsgerige en culturele leven. Indien we constateren dat Hollandse drukkerijen in de zeventiende eeuw een aanzienlijk deel van de Europese wijsgerige literatuur produceren, dan hoort een onderzoek naar deze drukkerijen evenzeer thuis in een historiografie van het denken in Nederland, als bijvoorbeeld de receptie van de denkbeelden van Leibniz en Wolff omstreeks 1800. Indien we constateren dat de herleving van de wijsbegeerte in de negentiende eeuw vooral op het conto moet worden geschreven van niet-academisch gevormde filosofen, dan verdient een onderzoek naar de inspanningen van amateur-filosofen evenveel aandacht als die van hoogleraren in dezelfde periode.

Anderzijds kan ook Poortman's concept van de 'Nederlandse wijsbegeerte' worden ontdaan van zijn chauvinistische kleur. Als Cornelis Willem Opzoomer in 1848 te Utrecht het Nederlands invoert als filosofische taal, wordt de drang nijpender om de Nederlandse taal geschikt te maken voor de wijsbegeerte. Het Nederlands leent zich immers slecht voor filosofische bespiegelingen, zo menen velen. Met enige jaloezie kijkt men toch naar de rijkdom van het Duitse, Franse en Engelse filosofische vocabulaire. Toch ontwikkelt zich in de negentiende eeuw een 'Nederlandse wijsbegeerte' - dat wil zeggen, velen experimenteren met de moedertaal als filosofische taal. Publicaties van uiteenlopende filosofen als Alexander Siffle, Dionys Burger jr., Johannes van Vloten, Gerardus Bolland en Bierens de Haan kunnen tevens worden opgevat als experimenten met de Nederlandse taal. In dit experiment kunnen zij rekenen op steun van letterkundigen die hier een poëtisch verlangen herkennen en zich aangemoedigd voelen een semiotische diepgang in hun werk aan te brengen. De invloed die auteurs als Johan Kinker, Multatuli, Petrus van Limburg Brouwer, Carel Vosmaer, Herman Gorter, Frederik van Eeden, Albert Verwey en J.H. Leopold hebben uitgeoefend op de wijsbegeerte in Nederland - en vice versa - mag niet worden onderschat.

De 'hegelarij' van Bolland dient in dit taalexperiment te worden aangemerkt als een absoluut hoogtepunt: nooit eerder heeft een filosoof de Nederlandse taal zo ver opengebroken en zoveel nieuwe begrippen geïntroduceerd. Voor anderen getuigt dit experiment van een tragisch dieptepunt waarin de filosofische poorten wijd worden opengezet voor een esoterisch geleuter dat nog louter kan worden begrepen door een sektarische binnenwacht. Sommige critici spreken van 'primitieve verhovaardiging' en een Leidse hoogleraar meent dat hier geen sprake is van wijsbegeerte maar van 'philosophigheid en diepdoenerij'. Een zekere dr. H.J. Zwiers persifleert Bolland al omstreeks de eeuwwisseling door stukken te schrijven vol zelfbedachte, zonderlinge woorden: "Onbeacht het parasunetische uwer suppositie, als zouden wij ons als materialisten poneren, in welke waan gij uwe acerbe adgressie richt tegen ons". Het kost de laat-twintigste eeuwse lezer enige moeite zich zonder een schaterlachen of hoofdschudden door de literatuur van Bolland, Bierens de Haan, Jacob Hessing, Karel de Jong of Poortman te laten voeren. Hoe waardevol Poortman's repertorium ook moge zijn, zijn eigen wijsbegeerte is niet alleen gedateerd, maar tevens toegesneden op een handjevol verlichte theosofen - Poortman was de huisfilosoof van de Theosofische Vereniging. Desondanks meen ik dat een onderzoek naar dit unieke taalexperiment - vooral gedurende de periode 1848-1940 - meer aandacht verdient dat zij tot op heden heeft gekregen. Filosoferen in Nederland ontwikkelt zich met vallen en opstaan.

Sassen en Poortman bieden niet alleen twee perspectieven die ons zicht op de vaderlandse historiografie verhelderen, ook hun respectievelijke biografieën staan model voor een tweevoudige beleving en benadering van de wijsbegeerte in Nederland. Sassen is een echte academicus met elitaire opvattingen over het universitaire onderwijs en onderzoek. In het kielzog van het kantianisme pleit hij voor onderzoek naar objectief kenbare waarheden die ten grondslag liggen aan alle vakwetenschappen. Een openbare wijsbegeerte is zijn doel - een expliciet katholieke of christelijke wijsbegeerte wijst hij af omdat een wijsbegeerte redelijk moet zijn en niet moet getuigen en geen existentiële posities moet innemen. De getuigenis behoort immers tot het terrein van de theologie. Nauwgezet heeft hij de belangrijkste filosofische stromingen sinds de middeleeuwen in kaart gebracht en daarin vooral aandacht besteed aan de academische wijsbegeerte. Opmerkelijk is daarbij dat hij zich midden in een tijdperk van verzuiling niet beperkt tot het katholieke erfgoed, maar alle geestesstromingen en filosofische scholen evenredig aan onderzoek en waardering onderwerpt. Deze gewoonte brengt hem in 1932 in conflict met Rome die hem de omgang met niet-katholieken verbiedt. Een verbod waaraan Sassen zich overigens niet stoort. Zijn ideaal schuilt in een grote, synthetische geschiedschrijving van het wijsgerig leven in Nederland, maar hij vindt geen steun voor deze 'bij uitstek nationale onderneming'. Teleurgesteld presenteert hij een voorlopige synthese die nog vele leemtes kent: Geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland tot het einde der negentiende eeuw (1959). Desondanks is deze studie tot op de dag van vandaag de enige betrouwbare bron en een noodzakelijk ijkpunt voor elke historiografie.

Poortman aan de andere kant is een 'parafilosoof' (Cornelis Verhoeven) bij uitstek: een denker die een eigen idealistische filosofie ontwikkelt, ver verwijderd van het formele academische discours, en vooral geschikt voor de dolenden van het fin de siècle, naarstig op zoek naar een levensbeschouwing die zekerheden biedt in een door God verlaten wereld. Zijn eigen werk, dat we wellicht kunnen samenvatten onder de noemer 'hylisch pluralisme', is een van de vele idealistische en sotoriologische varianten die zich omstreeks 1900 overal in Europa aandienen. Vergelijkend onderzoek naar deze merkwaardige concepten en 'freewheelende' wijsgeren verdient de voorkeur boven monografieën. Monografieën van deze filosofen blijken doorgaans geschreven door goedbedoelende leerlingen - de zogenaamde 'auteurs-acteurs' (Willem Frijhoff) - en ontberen vaak kritische distantie of een wetenschappelijke plaatsbepaling. Exemplarische voorbeelden vinden we in J.G. van der Bend, Het Spinozisme van dr. J.D. Bierens de Haan (1970) en in Henk de Jager [red.], Het beeldende denken. Leven en werk van Mathieu Schoenmaekers (1992). Als secundaire literatuur mogen zij weliswaar te lichtvoetig worden geacht, als primaire bronnen zijn deze studies echter onontbeerlijk voor historisch onderzoek.

De universiteit is voor Poortman geen oase in moeilijke tijden - zoals Sassen dat gaarne zag - maar staat eerder model voor een aan rationalisme en wetenschap bezwijkende beschaving die geen oog meer heeft voor vraagstukken van een spirituele en existentiële aard. Gedurende de negentiende en vroeg-twintigste eeuw hebben loges, genootschappen en verenigingen een aanzienlijke bijdrage geleverd aan de herleving en verbreding van het wijsgerige leven en discours. Deze groepen van 'christenen zonder kerk' kenmerken zich vaak door de aanwezigheid van een huisdenker. De onbetwiste filosoof van de vrijmetselaarsloge Post Nubila Lux is spiritist Markus Samuel Polak; Zeeuwse vrijmetselaars vinden een inspiratiebron in de Middelburgse notaris Alexander Siffle; vrijdenkers hebben hun Multatuli en Johannes van Vloten; de literaire generatie van Tachtig vleit zich neer voor het spreekgestoelte van Bolland; vrijzinnig katholieken vinden in Bierens De Haan een wijsgerige spreekbuis; binnen de Theosofische Vereniging weet Poortman op zijn beurt een aanzienlijk gehoor te bereiken. Ik wil hier geen pleidooi houden voor een intrinsiek eerherstel van deze esotherische stromingen, maar wel voor een systematische studie van de genootschappen en hun rol in de herleving en verbreding van de wijsbegeerte.

De constatering dat die verbreding en wildgroei van de filosofie buiten de universiteiten ook tot excessen kan leiden, vergroot wellicht ons inzicht in de maatschappelijke en culturele spanningen van het fin de siècle en het interbellum. Nog altijd worden we pijnlijk getroffen door het aandeel van filosofen in de antidemocratische bewegingen van het interbellum - een gegeven dat op zijn minst een proefschrift waard is. In en rondom de leiding van Het Verbond van Actualisten, de Nationaal Socialistische Beweging en Zwart Front, om slechts enkele van deze groeperingen te noemen, hebben filosofen een bijdrage geleverd aan theoretische rechtvaardigingen van dubieuze politieke programma's. Zo resulteert Poortman's vreemde mix van Hegel en Blavatsky in een eerbetoon aan Adolf Hitler, de vleesgeworden wereldgeest die in 1933 de door Blavatsky voorspelde Europese Revolutie inluidt. In zijn artikel 'Enkele beschouwingen over het Nationaal-Socialisme' (Theosophia, 1933) verwerpt hij weliswaar het antisemitisme, maar geeft hij de tijdelijke 'vrijheidsbelemmering' het voordeel van de twijfel. Want in het daarop volgende proces van internationale eenwording - de 'Verenigde Staten van Europa' - zullen de idealen van theosofie en humanisme eindelijk gestalte krijgen. Historici hebben doorgaans de neiging om theoretische teksten niet in hun onderzoek te betrekken - historici van de filosofie daarentegen beschikken over een unieke gelegenheid deze teksten wel vanuit een historische context te lezen en te beoordelen.

Het moge duidelijk zijn dat ik nauwelijks affiniteit heb met contextloze monografieën van denkers of stromingen. Voor historici van de wijsbegeerte is een gedegen kennis van het filosofische spectrum weliswaar een vereiste, maar onvoldoende voorwaarde voor relevant onderzoek. Er is geen behoefte aan nieuwe varianten van kerkgeschiedenis of aan series zoals de ooit zo populaire reeks 'Groote Denkers'. De geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland - nog zo een prille studie - verlangt van de onderzoeker een grote dosis creativiteit en verbeeldingskracht. Sassen en Poortman hebben weliswaar een uitstekende voorzet gegeven, maar van een serieuze integratie van de wijsbegeerte in de cultuur en ideeëngeschiedenis lijkt nog nauwelijks sprake. Vanuit deze kritiek hebben Henri Krop en ondergetekende een eerste poging gedaan het Nederlandse fin de siecle, een speerpunt van hedendaags cultuurhistorisch onderzoek, tegen het licht te houden van de herleving van het idealisme omstreeks 1900. Een andere poging vinden we in het NWO-prioriteitsprogramma 'De Nederlandse Cultuur in Europese Context' - een cultuurhistorische herijking van ons verleden, toegespitst op de jaartallen 1650, 1800, 1900 en 1950, waarin eindelijk ook de wijsbegeerte is opgenomen. Zo blijkt een goed begrip van het cartesianisme als wijsgerige beweging noodzakelijk om inzicht te krijgen in het culturele en intellectuele klimaat van de Republiek, zoals Wiep van Bunge aantoont in zijn onderzoek naar het ijkjaar 1650. Een ander verheugend verschijnsel is het opnemen van wijsgerige ontwikkelingen in het curriculum van bijscholingsprogramma's voor leraren geschiedenis in het middelbaar onderwijs. Wat mij betreft verdient thematisch en contextueel onderzoek de voorkeur, maar er zijn meer mogelijkheden.

Drie recente ontwikkelingen verdienen onze aandacht. De eerste betreft een onderzoek naar de locaties waar wordt gefilosofeerd - een speerpunt dat in Rotterdam gestalte heeft gekregen. De afgelopen jaren verschenen boeiende studies van het wijsgerig leven in Rotterdam, van het filosofieonderwijs aan het voormalige Atheneum te Deventer, en een historisch overzicht van het wijsgerig onderwijs en onderzoek aan de universiteit van Groningen. Dit proces van het in kaart brengen van locaties is nog lang niet voltooid - zo wachten Leiden, Utrecht en Amsterdam bijvoorbeeld nog. Ook wordt aan buitenuniversitaire bolwerken, zoals de Internationale School voor Wijsbegeerte en de utopische gemeenschap Laren-Blaricum, al enige aandacht besteed. In deze optiek is het aanlokkelijk ook het scala van filosofische verenigingen en de netwerken van maçonnieke en theosofische loges in het onderzoek te betrekken. Want tot op heden ontbreekt het ons vooral aan data: hoeveel wijsgerige verenigingen waren er? hoeveel leden telden deze kringen? welke wijsbegeerte vond hier weerklank? van welke media bediende men zich? Overigens geldt dit datagebrek ook voor de universiteit: wie doceerde wat? hoeveel studenten volgden de colleges? hoe verhield de academie zich tot de buitenuniversitaire netwerken? Deze vragenlijst kan nog eindeloos worden uitgebreid - overigens een prachtig onderzoek voor een assistent in opleiding.

Een tweede ontwikkeling vinden we in de toegenomen aandacht voor een wijsbegeerte die zich ontplooit buiten het beschermde domein van de academie. Eerder wees ik al op het aandeel van niet-vakfilosofen in de negentiende eeuw, maar ook in vroeger tijden heeft de 'parafilosoof' steeds een rol van betekenis gespeeld. Studies van de Hattemisten in Zeeland of de spinozisten in Holland hebben maatschappelijke, theologische en wijsgerige disputen in een ander daglicht geplaatst, zo laat Michiel Wielema zien. Vooral de toegenomen kennis van het spinozisme - een tweede speerpunt van het Rotterdamse onderzoek - heeft Nederlandse historici van de wijsbegeerte weer in contact gebracht met een internationaal discours. Dat de aandacht zich hierbij steeds verder verwijdert van Spinoza zelf, zegt veel over het verlangen van historici aan te willen sluiten bij internationale cultuurhistorische debatten. Een van de aandachtspunten waarop de katalysator van dit Rotterdamse onderzoek, Michael John Petry, steeds heeft gehamerd, is het overstijgen van het provincialisme binnen research en verslaglegging. De provincie kenmerkt zich, aldus Petry, door een minderwaardigheidscomplex ten opzichte van landen met grote filosofische tradities: een Nederlandse onderzoeker houdt zich liever bezig met Kant of Foucault, dan dat hij zich onderdompelt in de wijsbegeerte van het moreel orgaan bij Frans Hemsterhuis. Petry maant zijn onderzoeksgroep Nederlandse ontwikkelingen centraal te stellen en resultaten van deze onderzoeken te publiceren in internationale tijdschriften. Op deze wijze kunnen Nederlandse historici en filosofen een brugfunctie vervullen in Europa. Immers, 'die Niederlande sind in diesem Zusammenhang von besonderem Interesse, denn sie bilden in vielerlei Hinsicht einen perfekten Mikrokosmos der europaischen Gesamtszene... Wegen seiner geografischen Lage, seines florierenden Buchhandels, des Hangs seiner Bewohner zu Handel und Verkehr, hat das Land immer als Ort des Ideenvergleichs fungiert' (Petry). In Rotterdam vinden dan ook internationale congressen plaats vonden waar vergeten figuren als Willem Deurhoff, Eric Walten en Franz Junghuhn zonder schroom in een internationale context worden geplaatst. De door Brill uitgegeven internationale congresbundel Spinozism around 1700 (1996) - geredigeerd door Van Bunge en Wim Klever, is daarvan een uitstekend voorbeeld.

Een derde ontwikkeling vinden we in het ontsluiten van biografische gegevens en filosofische teksten door middel van kritische biografieën. Recentelijk verschenen volstrekt verschillende biografieën van onder anderen Bolland, Hendrik Pos, Eduard Jan Dijksterhuis, Sassen en Gerard Heymans - vaak vuistdikke, maar uiterst leesbare studies die een schat aan data herbergen en actuele vraagstukken niet ontlopen. Wat ons hoopvol en optimistisch moet stemmen is de grote variatie aan gehanteerde vertogen: Willem Otterspeer nadert in zijn impressionistische Bolland-biografie het genre van de literatuur en wordt zelfs genomineerd voor de AKO-literatuurprijs. Peter Derkx produceert een uiterst zakelijke biografie van H.J. Pos die uiteen valt in twee delen: een levensschets en een systematische studie van Pos' geschriften. Klaas van Berkel laat zien dat wiskunde geen saaie aangelegenheid is en dat zelfs een onopvallende levenswandel - die van E.J. Dijksterhuis - een uiterst leesbare studie van ruim zeshonderd pagina's kan opleveren. Gerlof Verwey ten slotte toont ons aan de hand van het 'psychisch monisme' van Heymans een blik op de maalstroom van monistische en sotoriologische concepten die tot op de dag van vandaag een eenduidige visie op het Nederlandse fin de siecle onmogelijk maken.

De verschillendsoortige benaderingen laten bovendien zien dat er geen vastomlijnd concept bestaat waar vanuit een geschiedenis van de wijsbegeerte dient te worden begrepen. Het thematische en discursieve pluralisme dat zich vandaag in deze historiografie aandient, is zo verrassend en inspirerend dat ik sceptisch sta tegenover een centraal werkplan voor een geschiedschrijving van de wijsbegeerte in Nederland, zoals elders in deze bundel wordt voorgesteld door Kees Struyker Boudier. Voor deze jonge tak van wetenschap geldt liever het adagio van Mao: laat vele bloemen bloeien. Het zijn juist bovenstaande ontwikkelingen die de geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland een geweldige impuls hebben gegeven. Bovendien vergt een werkplan veel tijd en coördinatie en hebben we alle reden te twijfelen aan het draagvlak voor zo een 'bij uitstek nationale onderneming' - immers, de geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland smeekt nog altijd om erkenning als autonome discipline.

Indien we spreken over de noodzaak van een dosis creativiteit in elke studie van het wijsgerig leven in Nederland, dan wordt in eerste instantie gepleit voor een creatief gebruik van Poortman's repertorium. Sassen toont zich creatief genoeg om zelf accenten te leggen en prefereert een chronologische indeling naar tijdvak en stroming. Zijn werkwijze is wellicht verouderd en zijn schrijven verraadt mogelijk een voorkeur voor een elitaire, academische wijsbegeerte, maar zijn Geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland kent nog steeds geen concurrentie. Bescheiden pogingen, zoals die van Willem Faber, Wijsgeren in Nederland (1954) of van Bierens de Haan, De strijd tussen idealisme en naturalisme in de negentiende eeuw (1929) verbleken naast Sassen, niet alleen als dorre, maar ook als al te eenzijdige pennenvruchten. Een aardige aanvulling op Sassen biedt de door Ambo uitgegeven, 21-delige reeks Geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland waarin vooral primaire teksten zijn opgenomen en worden becommentarieerd. Veel teksten - van de vroege middeleeuwen tot de twintigste eeuw - zijn nu voor het eerst in het Nederlands toegankelijk geworden.

Poortman heeft, zoals gezegd, getracht een uitputtend overzicht te bieden van wijsgerige publicaties in het Nederlandse taalgebied vanaf de middeleeuwen tot op heden. Zijn droge inventarisatie getuigt van een grote liefde voor een wijsbegeerte waarin alle scheidslijnen tussen bevoegde en onbevoegde filosofen zijn opgeheven. Hij rubriceert zijn titels zowel naar personen als onderwerpen, maar laat de gebruiker van het repertorium bijna vertwijfeld achter met een schat aan betekenisloze data - veelal publicaties van vandaag volstrekt in de vergetelheid geraakte schrijvers en publicisten. Het is de taak van de onderzoeker die data weer betekenis te geven: door de publicaties te lezen, biografische gegevens te verzamelen, en de teksten en spreekbuizen te rangschikken om vervolgens orde en samenhang aan te brengen.

Ik volgde deze rudimentaire en ambachtelijke methode in mijn onderzoek naar het spinozisme in Nederland gedurende de tweede helft van de negentiende eeuw. Tot mijn verbazing moest ik vaststellen dat het filosofische discours zich niet alleen grotendeels buiten de universiteit ontplooit, maar tevens dat publicaties en polemieken verschijnen in een veelvoud van oudere en nieuwere culturele tijdschriften. Onbedoeld wijst Poortman op de afwezigheid van filosofische periodieken in de Nederlandse cultuur. Afgezien van twee mislukte pogingen - een kantiaans tijdschrift omstreeks 1800, geredigeerd door Paulus van Hemert en Johan Kinker, en een hegeliaans periodiek in de jaren 1828-1830, geredigeerd door Willem Kiehl en Piet van Ghert - heeft Nederland voor 1907 geen gebruik kunnen maken van een wijsgerig vakblad. In 1907 wordt het Tijdschrift voor Wijsbegeerte gesticht - het huidige ANTW. Met andere woorden, als niet-autonome discipline ziet de filosofie in Nederland zich steeds gedwongen te participeren in algemeen-culturele tijdschriften, hetgeen uiteraard consequenties heeft voor de reflecterende en schrijvende filosoof. De Groningse hoogleraar Bernard van der Wijck legt zijn lezers in De Gids van 1900 uit waarom hij zijn artikelen schrijft zoals hij ze schrijft: een essay mag namelijk niet te lang zijn, want wijsbegeerte dient met mondjesmaat aan een beschaafd publiek te worden aangereikt - zeker aan een publiek dat (nog) niet gewoon is abstract en wijsgerig te denken. Ook kan hij zich niet verliezen in zuiver abstracte verhandelingen omdat het medium, het culturele tijdschrift, hem dwingt tot culturele, maatschappelijke of zelfs politieke opinies. Als in 1907 dan eindelijk ernst wordt gemaakt met het eerste filosofische periodiek, verdedigt de redactie zich ook onmiddellijk door te stellen dat het hier geen vakblad betreft, maar een 'kultuurblad' voor een breed publiek dat zich wil interesseren voor filosofische vraagstukken. Het nieuwe tijdschrift lijkt in haar doelstellingen eerder verwant aan het huidige Filosofie Magazine dan aan het huidige ANTW.

Dit specifieke karakter van het filosofische medium is van cruciaal belang voor elke studie van de geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland. Juist de inherente historische verstrengeling van filosofie en cultuur, van filosofie en literatuur, van filosofie en theologie, van filosofie en recht en van filosofie en politiek, biedt de onderzoeker een mogelijkheid meer algemeen-culturele vraagstellingen en onderzoeksthema's te formuleren en zich niet louter blind te staren op het zuiver-wijsgerige gehalte van de filosofische teksten en polemieken in Nederland. Het fin de siecle kan zo een algemeen-cultureel thema zijn, maar ook de Amerikanisering van onze cultuur, de antidemocratische vertogen van het interbellum, de Nederlandse taal als filosofische taal, de invloed van het gebruikte medium op de filosofische reflectie en vice versa, de invloed van Indie-gangers op het wijsgerige denken in Nederland... ook deze lijst kan nog eindeloos worden uitgebreid. Juist op vragen van dit type biedt het repertorium van Poortman eerste mogelijkheden. Daar waar Poortman in gebreke blijft, bieden de wel geïnventariseerde personen en publicaties vaak wegwijzers naar volgende denkers en publicaties.

Het is dan ook betreurenswaardig dat de Koninklijke Bibliotheek het nieuwe, gedigitaliseerde Repertorium vooraf heeft laten gaan door een vergaande selectie van auteurs en thema's. Vragen als 'wie is een filosoof?' en 'welke studie rekenen we tot de filosofie?' zijn juist vragen die Poortman zich niet stelde. Voor hem gold het minimumscenario: een filosoof is iemand die nadenkt over de wereld en zijn gedachten aan het papier toevertrouwt. De charme van het oude repertorium ligt juist in de poging tot uitputtende inventarisatie - de onderzoeker kan er vervolgens surfen als op het internet.

Als historische discipline dient de geschiedenis van de wijsbegeerte zich niet te isoleren en op te sluiten in zelfgenoegzame studies van vaderlandse denkers, maar dient ze actief en flexibel te participeren op velerlei terrein: in de kunsten, de literatuur, de theologie, in juridische praktijken, de wetenschappen en de politiek - immers, hier speelden Nederlandse filosofen in het verleden maar al te vaak een boeiende tweede viool. Ter afsluiting wil ik twee opmerkingen maken die wellicht een bijdrage kunnen leveren aan het debat omtrent de perspectieven van een geschiedschrijving van het wijsgerig leven in Nederland - een debat dat de inspanningen van de met emeritaat gaande Michael John Petry naar de volgende eeuw moet tillen:

1. De geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland is een jonge wetenschap zonder verleden: dat louter Sassen en Poortman als klassieke auteurs kunnen worden aangemerkt zegt veel over het gebrek aan belangstelling dat dit onderzoeksgebied tot op heden ten deel is gevallen. De hedendaagse beoefening van de geschiedenis van de wijsbegeerte beweegt zich langs experimentele lijnen, vanuit tal van disciplines, en blijkt een veelvoud van perspectieven te herbergen. Die variatie kan het prille vakgebied alleen maar ten goede komen en dit pluralisme dient te worden aangemoedigd. In deze experimentele fase zijn enthousiasme en creativiteit meer dan gewenst en dienen we terughoudend te zijn met modelmatige concepten, zoals een werkplan voor de geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland.

2. De wijsbegeerte in Nederland is onlosmakelijk verbonden met vakgebieden als de theologie, het recht, de letteren, de kunsten, de politiek en de wetenschappen - niet voor niets is het Tijdschrift voor Wijsbegeerte opgericht als een cultuurblad. Ik prefereer een interdisciplinaire benadering, gevoed door een actuele cultuurhistorische of maatschappelijke thematiek, waarin de historicus of filosoof zich specialiseert in het bestuderen van theoretische teksten met betrekking tot zijn vraagstellingen. In deze optiek hoort geschiedenis van de wijsbegeerte zeker thuis aan elke zichzelf respecterende filosofische faculteit, maar mogen we twijfelen aan het nut van een geïsoleerd curriculum. Vergaande vormen van intra en interfacultaire samenwerkingsverbanden verdienen de voorkeur: indien een faculteit meent dat Nietzsche aan studenten moet worden gedoceerd, dan schijnt een aantal colleges over de receptie van Nietzsche in Nederland of een vergelijking tussen Multatuli en Nietzsche meer dan aanbevelenswaardig. Indien locaties nader onderzoek verdienen, dan zou met onderzoekers ter plaatse een samenwerkingsverband kunnen worden aangegaan - zoals geschiedde met de historiografie van het wijsgerige denken in Groningen. Zolang faculteiten der wijsbegeerte een Nederlandse historiografie buiten de deur houden, dreigt ook voor hen het gevaar van een wijsgerig provincialisme.

besproken literatuur:
- J.G. van der Bend, Het Spinozisme van J.D. Bierens de Haan (Groningen 1970);
- Klaas van Berkel, Dijksterhuis. Een biografie (Amsterdam 1996);
- J.D. Bierens de Haan, De strijd tussen idealisme en naturalisme in de negentiende eeuw (Amsterdam 1929);
- H.W. Blom, H.A. Krop, M.R. Wielema (red.), Deventer denkers. De geschiedenis van het wijsgerig onderwijs te Deventer (Hilversum 1993);
- Lucien Brulez, Hollandische Philosophie (Breslau 1926);
- Wiep van Bunge & Wim Klever (red.), Spinozism around 1700. Papers presented at the International Colloquium held at Rotterdam, 5-8 october 1994 (Leiden-New York-Keulen 1996);
- Peter Derkx, H.J. Pos 1898-1955: objectief en partijdig. Biografie van een filosoof en humanist (Hilversum 1994);
- C.H. Edelman [et al.], De Nederlandsche Geest (Naarden 1941);
- E. van Everdingen, Zestig jaar Internationale School voor Wijsbegeerte 1915-1975 (Assen-Amsterdam 1976);
- W. Faber, Wijsgeren in Nederland (Nijkerk 1954);
- A.F. Heijerman & M.J. van den Hoven (red.), Filosofie in Nederland. De Internationale School voor Wijsbegeerte als ontmoetingsplaats 1916-1986 (Meppel-Amsterdam 1986);
- Geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland (documentatieblad van de Werkgroep Sassen). Reeds verschenen thematische bundels: 'Esthetica tussen klassiek en romantiek' (1992); 'De Nederlandse Verlichting' (1994); 'De wijsbegeerte van het fin de siecle' (1995); 'Bibliografie van Ferd. Sassen' (1997).
- Lien Heyting, De wereld in een dorp. Schilders, schrijvers en wereldverbeteraars in Laren en Blaricum 1880-1920 (Amsterdam 1994);
- Henk de Jager [et al.], Het beeldende denken. Leven en werk van Mathieu Schoenmaekers (Baarn 1992);
- H.A. Krop, J.A. van Ruler, A.J. Vanderjagt (red.), Zeer kundige professoren. Beoefening van de filosofie in Groningen van 1614 tot 1996 (Groningen 1997);
- Willem Otterspeer, Bolland. Een biografie (Amsterdam 1995);
- M.J. Petry (red.), Geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland (21 delen, Ambo Baarn 1988-1993);
- M.J. Petry, 'Die Philosophielehre im neuen Europa. Bemerkungen zur niederlandischen Perspektive', Manfred Buhr (red.), Das Geistige Erbe Europas (Napels 1994) 121-136;
- J.J. Poortman, 'Enkele beschouwingen over het Nationaal-Socialisme', Theosophia 41 (7/8 1933) 220-231;
- J.J. Poortman, Repertorium der Nederlandse wijsbegeerte (Amsterdam-Antwerpen 1948);
- Ferd. Sassen, Geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland tot het einde der negentiende eeuw (Amsterdam-Brussel 1959);
- Ferd. Sassen, Wijsgeerig leven in Nederland in de twintigste eeuw (Amsterdam 1947);
- Siebe Thissen, 'De reddingssloep Nederland is zinkende. Nederlandse filosofen tijdens het interbellum', (dossier: filosofen in oorlogstijd), Filosofie Magazine 4 (3 1995) 20-22;
- Siebe Thissen, 'Een wijsgerige beweging in Nederland en haar publieke rol', Krisis. Tijdschrift voor filosofie 15 (60, 1995) 22-39;
- Cornelis Verhoeven, Parafilosofen. Wijsbegeerte buiten de school (Bilthoven 1973);
- Gerlof Verwey, Gerard Heymans en het Equilibriummodel (Best 1998);
- Michiel Wielema, Filosofen aan de Maas. Kroniek van vijfhonderd jaar wijsgerig denken in Rotterdam (Baarn 1991);
- M.R. Wielema, 'De geschiedschrijving van de Nederlandse wijsbegeerte. Problemen en perspectieven', Tijdschrift voor Filosofie 56 (3, 1994) 526-551;
- Herman Wolf, Persoonlijkheid en Geestesleven. Letterkundige studies (Haarlem 1927).


siebe (dot) thissen (at) planet (dot) nl   - - -